ECLI:NL:HR:2004:AQ8925

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 december 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00535/04
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 344 SvArt. 353 SvArt. 6 EVRMArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt arrest hof en gelast teruggave simkaarten met strafvermindering

In deze zaak heeft de Hoge Raad het arrest van het Gerechtshof Amsterdam vernietigd omdat het hof geen beslissing had genomen over 57 inbeslaggenomen simkaarten. De Hoge Raad oordeelde dat deze nalatigheid in strijd was met artikel 353, eerste lid, Sv en besloot om de simkaarten aan de verdachte terug te geven. Tevens werd de opgelegde gevangenisstraf verminderd van 27 maanden waarvan negen maanden voorwaardelijk naar 25 maanden waarvan zeven maanden en drie weken voorwaardelijk, vanwege overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro.

Het hof had de verdachte veroordeeld voor deelneming aan een criminele organisatie, gebaseerd op onder meer een verklaring van een getuige die verslag deed van wat een niet nader te traceren persoon had verteld. De verdediging betoogde dat deze verklaring niet als bewijs mocht dienen omdat de identiteit van de bron onbekend was en daardoor niet kon worden ondervraagd. De Hoge Raad bevestigde echter dat deze verklaring geen verklaring ex artikel 344, derde lid (oud) Sv was en dat het hof deze met de nodige behoedzaamheid mocht gebruiken, mede omdat de verklaring werd ondersteund door andere bewijsmiddelen.

De Hoge Raad wees verder op het belang van de doelmatigheid en rechtvaardigheid in de procedure door zelf een beslissing te nemen over de simkaarten. Het cassatieberoep werd grotendeels verworpen, behalve waar het ging om de simkaarten en de strafmaat. De uitspraak werd gedaan na een overschrijding van de redelijke termijn, wat leidde tot strafvermindering.

De Hoge Raad bevestigde hiermee de beginselen omtrent bewijswaardering, het belang van volledige beslissingen door het hof en de bescherming van de redelijke termijn in strafzaken.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest deels, gelast de teruggave van simkaarten en vermindert de gevangenisstraf naar 25 maanden.

Uitspraak

14 december 2004
Strafkamer
nr. 00535/04
LR/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 31 oktober 2002, nummer 23/004267/01, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Pakistan) op [geboortedatum] 1970, ten tijde van de betekening van de aanzegging zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Haarlem van 16 november 2001 - de verdachte vrijgesproken van het bij inleidende dagvaarding onder 1 tot en met 6 tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 7. "deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven" veroordeeld tot 27 maanden gevangenisstraf, waarvan negen maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met verbeurdverklaring zoals in het arrest omschreven.
2. Geding in cassatie
2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. S.J. van der Woude, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voorzover daarin geen beslissing is genomen over de inbeslaggenomen simkaarten, tot teruggave van die simkaarten aan de verdachte en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.
3. Beoordeling van het vierde middel
3.1. In het middel wordt geklaagd dat het Hof de verklaring van de getuige [getuige 1] ten onrechte heeft gebezigd tot het bewijs. Aan het middel ligt de opvatting ten grondslag dat het Hof die verklaring ten onrechte niet heeft aangemerkt als een verklaring in de zin van art. 344, derde lid (oud), Sv.
3.2. Het Hof heeft, voorzover hier van belang, voor het bewijs gebezigd een kopie van een proces-verbaal van de Koninklijke marechaussee, district Schiphol/Sluisteam (GB), nummer PL278E/01-015687 van 28 maart 2001, opgemaakt door de opsporingsambtenaren J.H. Steenge en J.J.J. van Veenstra. Dit proces-verbaal bevat een tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van [getuige 1], inhoudende:
"Ik ken een zekere [betrokkene 1]. Deze [betrokkene 1] wist van een mensensmokkelorganisatie. De organisatie zou bestaan uit een Pakistaan, de leider van de organisatie, vier KLM-medewerkers, waarvan twee Surinamers met Hindoestaans uiterlijk, een Nederlander die bij de incheck werkte en een persoon die werkte bij de KLM-security. De twee Surinaamse medewerkers werken op het platform. De Pakistaan heeft een belhuis in de [a-straat] in Amsterdam-Oost. Al deze personen zijn een schakel in de mensensmokkelorganisatie. Er werd voor de te smokkelen persoon ingecheckt bij de persoon van de organisatie die in de incheckbalie zat. Vervolgens werd de paspoortcontrole omzeild door medewerking van de twee Surinamers. Aan de gate van de vlucht naar Canada stond dan een man van de KLM-security die de te smokkelen persoon zonder problemen doorliet, waarna ze aan boord gingen van het vliegtuig. Mocht deze man van de KLM-security niet aan het werk zijn dan ging de smokkel via het platform. Er werd dan door anderen ingecheckt. Die gingen door de paspoortcontrole naar de gate. Bij de gate werd hun paspoort weer gecontroleerd door KLM-security en vervolgens werden deze personen opgewacht in de aviobrug waar de te smokkelen personen naartoe waren gebracht. Daar werden de boardingcards afgegeven aan de te smokkelen personen. Bij deze werkwijze waren de te smokkelen personen via het platform naar de gate gebracht en droegen zij kleding, althans een jas van de KLM.
Vorige week hoorde ik van [betrokkene 1] dat de leider er nu niet is. Hij vertelde dat zijn spelletje op Schiphol is gestopt en dat hij nou ergens in Portugal zit."
3.3. In de aanvulling op het verkorte arrest als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv heeft het Hof onder het hoofd "Nadere bewijsoverwegingen", voorzover hier van belang, het volgende overwogen:
"De raadsman heeft betoogd dat de verklaring van [getuige 1] bij de politie, voor zover daarin wordt weergegeven de verklaring van een zekere "[betrokkene 1]", niet bruikbaar is voor het bewijs, omdat de verdediging deze [betrokkene 1] bij gebreke van enige aanduiding van zijn identiteit niet heeft kunnen ondervragen.
Dit verweer wordt verworpen.
De getuige [getuige 1] is ter terechtzitting van het hof van 17 oktober 2002 in aanwezigheid van de raadsman gehoord. De verdediging heeft haar recht om de getuige te ondervragen ter terechtzitting aldaar ook uitgeoefend. Geen rechtsregel verbiedt de verklaring van deze getuige - ook waar het gaat om een verklaring de auditu van een niet nader te traceren persoon - met de nodige behoedzaamheid te gebruiken voor het bewijs. Het hof acht deze verklaring bruikbaar, daar deze verklaring in belangrijke mate wordt ondersteund door de inhoud van de overige bewijsmiddelen."
3.4. In 's Hofs oordeel ligt besloten dat die verklaring van [getuige 1], voorzover hij daarin verslag doet van hetgeen een zekere [betrokkene 1] hem heeft verteld, niet kan worden aangemerkt als een verklaring als bedoeld in art. 344, derde lid (oud), Sv. Dat oordeel is juist, zodat het middel faalt.
4. Beoordeling van het zesde middel
4.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte geen beslissing heeft genomen ten aanzien van 57 inbeslaggenomen simkaarten, zoals vermeld op de aan het bestreden arrest gehechte beslaglijst onder nummer 36.
4.2. De bestreden uitspraak houdt in strijd met art. 353, eerste lid, Sv geen beslissing in ten aanzien van de in het middel bedoelde simkaarten. Het middel is dus terecht voorgesteld.
4.3. De Hoge Raad zal om doelmatigheidsredenen zelf een beslissing geven ten aanzien van de inbeslaggenomen
simkaarten.
5. Beoordeling van de overige middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
6. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
6.1. De verdachte heeft op 31 oktober 2002 beroep in cassatie ingesteld. De zaak is ter terechtzitting van de Hoge Raad van 17 augustus 2004 voor de eerste maal behandeld, hetgeen ertoe leidt dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep.
6.2. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot strafvermindering.
7. Slotsom
Nu de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
8. Beslissing
De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voorzover daarin geen beslissing is genomen ten aanzien van de hiervoor onder 4.1 bedoelde 57 inbeslaggenomen simkaarten alsmede wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
Gelast de teruggave van die simkaarten aan de verdachte;
Vermindert de opgelegde gevangenisstraf in die zin dat deze vijfentwintig maanden, waarvan zeven maanden en drie weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, beloopt;
Verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst, B.C. de Savornin Lohman, W.A.M. van Schendel, J.W. Ilsink in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 14 december 2004.