ECLI:NL:HR:2004:AR2110

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 september 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01438/04 H
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Herziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 37.2 SrArt. 457 SvArt. 459 SvArt. 460 Sv
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid herzieningsaanvrage wegens ontbreken novum bij TBS-oplegging

De aanvrage tot herziening betrof een arrest van het Gerechtshof Arnhem waarin de aanvrager was veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf en ter beschikkingstelling met TBS.

De aanvrage stelde dat het TBS-bevel was gegeven zonder voorafgaand advies van een psychiater, omdat de aanvrager in het Pieter Baan Centrum niet door een psychiater maar door een arts-assistent was onderzocht, en dat deze arts-assistent het advies had opgesteld. Dit werd aangevoerd als een novum in de zin van art. 457 Sv Pro.

De Hoge Raad oordeelde dat deze stelling niet als novum kan worden aangemerkt omdat het niet is gestaafd en onverenigbaar is met het rapport van het Pieter Baan Centrum dat bij de stukken was gevoegd. De aanvrage voldeed daarmee niet aan de vereisten van art. 457 en Pro 459 Sv en kon niet worden ontvangen.

De Hoge Raad verklaarde de aanvrage tot herziening niet-ontvankelijk en bevestigde daarmee het arrest van het Gerechtshof Arnhem.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de herzieningsaanvrage niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van een novum.

Uitspraak

14 september 2004
Strafkamer
nr. 01438/04 H
SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 5 februari 2004, nummer 21/002078-03, ingediend door mr. W.J. Ausma, advocaat te Nieuwegein, namens:
[aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968, ten tijde van de indiening van de aanvrage gedetineerd in het Huis van Bewaring "Karelskamp" te Almelo.
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Zwolle van 15 april 2003 - de aanvrager ter zake van "met iemand, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd" veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf en gelast dat de aanvrager ter beschikking zal worden gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen zoals in het arrest vermeld en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
2. De aanvrage tot herziening
De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de aanvrage
3.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voorzover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv Pro slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.
3.2. Art. 459 Sv Pro schrijft voor dat de aanvrage tot herziening inhoudt de omstandigheid als hiervoor bedoeld, waarop zij steunt, en verder een opgave bevat van de bewijsmiddelen waaruit van die omstandigheid - het zogenoemde novum - kan blijken.
3.3. Het in de aanvrage gestelde behelst niets wat kan worden aangemerkt als een beroep op omstandigheden als hiervoor onder 3.1 vermeld.
De enkele omstandigheid dat het Hof de hiervoor onder 1 vermelde last heeft gegeven zonder dat daaraan - naar in de aanvrage wordt gesteld - een advies als bedoeld in art. 37, tweede lid, Sr is voorafgegaan "daar gebleken is dat verzoeker in het Pieter Baan Centrum niet is onderzocht door een psychiater, maar door een arts-assistent en dat deze arts-assistent het advies heeft opgesteld", levert niet op een novum als evenbedoeld. Opmerking verdient overigens dat evenbedoelde stelling onverenigbaar is met de inhoud van het in de aanvrage bedoelde en zich bij de stukken bevindende rapport van het Pieter Baan Centrum en dat zij niet nader is gestaafd of toegelicht.
De aanvrage kan daarom, gelet op het bepaalde in de art. 459 en Pro 460 Sv, niet worden ontvangen.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de aanvrage niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 14 september 2004.