ECLI:NL:HR:2004:AR2310
Hoge Raad
- Cassatie
- L. Monné
- P.J. van Amersfoort
- J.C. van Oven
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bekrachtiging onbevoegde vertegenwoordiging in bestuursrechtelijk beroepschrift
De zaak betreft een bestuursrechtelijk geschil over de waardebepaling van onroerende zaken van een woningbouwvereniging voor de jaren 1997-2000. Na bezwaar en beroep bij het Hof Arnhem werd het beroep gegrond verklaard en de waarderingen verlaagd. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zwolle stelde vervolgens cassatieberoep in tegen deze uitspraak.
Een centraal geschilpunt was de bevoegdheid van de directeur die het beroepschrift bij het Hof had ingediend. Deze directeur was naar cassatie verondersteld niet bevoegd ten tijde van indiening en werd ook niet bevoegd vóór het verstrijken van de beroepstermijn. Het Hof oordeelde echter dat de huidige, zelfstandig bevoegde directeur instemde met het instellen van het beroep, waardoor bekrachtiging had plaatsgevonden en niet-ontvankelijkheid niet aan de orde was.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp de klachten van het college dat bekrachtiging niet mogelijk zou zijn door een directeur die pas na de onbevoegde handeling bevoegd werd. Ook het subsidiaire betoog dat het beroep pas vanaf de datum van bevoegdheid van de huidige directeur kon worden ingesteld, faalde. De Hoge Raad verwees naar de relevante bepalingen van het Burgerlijk Wetboek omtrent bekrachtiging en verklaarde het cassatieberoep ongegrond.
Ten slotte wees de Hoge Raad af om het college te veroordelen in proceskosten, maar legde wel griffierecht op. De uitspraak bevestigt dat bekrachtiging van onbevoegde handelingen in bestuursrechtelijke procedures mogelijk is, mits de bekrachtiging tijdig en door een bevoegd orgaan plaatsvindt.
Uitkomst: Het cassatieberoep van het college wordt ongegrond verklaard; de bekrachtiging van het beroep door de huidige directeur maakt het beroep ontvankelijk.