ECLI:NL:HR:2004:AR2718

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 september 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
39820
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • F.W.G.M. van Brunschot
  • L. Monné
  • P. Lourens
  • C.B. Bavinck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
artikel I, lid 2, van het overgangsrecht van de Wet voltooiing eerste fase herziening van de rechterlijke organisatie (Stb. 1993, 650)Aanpassingswet Awb III (Stb. 1993, 690)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontvankelijkheid van rechtstreeks beroep tegen vóór 1994 opgelegde navorderingsaanslag

Belanghebbende kreeg voor het jaar 1990 op 31 december 1993 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd. Vervolgens werd op 6 december 1993 een navorderingsaanslag opgelegd met een verhoging van 100% en een besluit tot weigering van kwijtschelding. Belanghebbende maakte hiertegen beroep bij het Hof, dat de navorderingsaanslag verminderde en de verhoging schrapte.

Belanghebbende stelde vervolgens cassatieberoep in tegen het arrest van het Hof. De Hoge Raad beoordeelde of het beroep ontvankelijk was, gelet op het overgangsrecht van de Wet voltooiing eerste fase herziening van de rechterlijke organisatie die op 1 januari 1994 in werking trad.

De Hoge Raad oordeelde dat het overgangsrecht bepaalt dat het oude recht op bezwaar en beroep blijft gelden voor aanslagen die vóór die datum zijn opgelegd. Hierdoor was het rechtstreeks beroep tegen de navorderingsaanslag mogelijk en ontvankelijk. Het cassatieberoep faalde inhoudelijk en werd ongegrond verklaard. De Hoge Raad veroordeelde belanghebbende niet in de proceskosten.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het arrest van het Hof bevestigd.

Uitspraak

Nr. 39.820
24 september 2004
WM
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 16 juli 2003, nr. 94/00107, betreffende na te melden navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Navorderingsaanslag en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1990 met dagtekening 31 december 1993 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 8.238.
Met dagtekening 6 december 1993 is hem over dat jaar een navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 144.238, met een verhoging van 100 percent van de nagevorderde belasting, met het besluit van die verhoging geen kwijtschelding te verlenen.
Belanghebbende is van de navorderingsaanslag en het besluit geen kwijtschelding te verlenen in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft de navorderingsaanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 144.238, zonder toepassing van een verhoging. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Staatssecretaris heeft een conclusie van dupliek ingediend.
3. Beoordeling van het middel
Het middel faalt. De onderwerpelijke belastingaanslag is gedagtekend 6 december 1993. Ingevolge het bepaalde in artikel I, lid 2, van het overgangsrecht van de op 1 januari 1994 in werking getreden Wet voltooiing eerste fase herziening van de rechterlijke organisatie (Stb. 1993, 650) zoals nadien gewijzigd bij de Aanpassingswet Awb III (Stb. 1993, 690) blijft ten aanzien van de mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in te stellen het recht van toepassing zoals het gold vóór laatstgenoemd tijdstip. Belanghebbende kon derhalve rechtstreeks beroep instellen tegen de aanslag die hij heeft aangezien en mocht aanzien voor een navorderingsaanslag. 's Hofs oordeel dat belanghebbende in zijn beroep kon worden ontvangen geeft ook overigens geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Uitgaande van dat oordeel heeft het Hof terecht op het beroep ten gronde beslist.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, L. Monné, P. Lourens en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 24 september 2004.