ECLI:NL:HR:2004:AR2719

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 september 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
39932
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • F.W.G.M. van Brunschot
  • C.B. Bavinck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 Wet op de vennootschapsbelasting 1969Art. 21 Wet op de vennootschapsbelasting 1969Art. 23b Wet op de vennootschapsbelasting 1969
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herleven van WIR-premie na verliescompensatie in vennootschapsbelasting

Belanghebbende, een onderneming in kinderartikelen, had in 1997 een positieve belastbare winst en ontving investeringsbijdragen op grond van de Wet investeringsrekening (WIR). In 2000 leed zij een verlies van ƒ 321.258, waarvan ƒ 25.564 werd verrekend met de winst van 1997. De Inspecteur stelde vast dat deze verrekening geen wijziging bracht in de eerder verrekende investeringsbijdragen over 1997.

Na bezwaar en beroep bij het Hof werd het standpunt van de Inspecteur bevestigd dat de verliesverrekening niet leidt tot een teruggaaf van belasting over 1997. Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak.

De Hoge Raad overwoog dat op grond van artikel 23b lid 4 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, in verbinding met eerdere wetgeving, de verrekening van het verlies van 2000 met de winst van 1997 niet leidt tot een negatieve belasting en dat de aanslag over 1997 tot nihil moet worden verminderd, zonder dat sprake is van teruggave.

Gelet op deze wettelijke bepalingen en de feiten achtte de Hoge Raad de beslissing van het Hof juist en verklaarde het cassatieberoep ongegrond. Er werden geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van het Hof bevestigd dat verliesverrekening niet leidt tot teruggaaf van belasting en herleving van de WIR-premie.

Uitspraak

Nr. 39.932
24 september 2004
PV
gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 8 april 2003, nr. 02/01933, betreffende na te melden beschikking als bedoeld in artikel 21, lid 1, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.
1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof
De Inspecteur heeft, nadat belanghebbende over het jaar 2000 aangifte had gedaan van een belastbare winst van negatief ƒ 321.258, de belastbare winst vastgesteld op negatief ƒ 321.258 en dit verlies bij beschikking van 8 december 2001 verrekend met de belastbare winst van belanghebbende over 1997 ten belope van een bedrag van ƒ 25.564. De beschikking is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Staatssecretaris heeft een conclusie van dupliek ingediend.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1. Belanghebbende drijft een handel in kinderartikelen. In het verleden heeft zij aanspraken op investeringsbijdragen ingevolge de Wet investerings-rekening verkregen. In het onderhavige jaar (1997) heeft zij positieve belastbare winst behaald. Bij beschikking van 14 november 1998 is een deel van de vorenbedoelde investeringsbijdragen verrekend met de door belanghebbende verschuldigde belasting over het onderhavige jaar.
3.1.2. In het jaar 2000 heeft belanghebbende een verlies geleden. Dit verlies is bij beschikking van 8 december 2001 ingevolge artikel 20, lid 2, in verbinding met artikel 21, lid 1, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: de Wet) tot een bedrag van ƒ 25.564 verrekend met de belastbare winst van het onderhavige jaar.
3.2. Voor het Hof was - voorzover in cassatie van belang - in geschil of de verrekening van het verlies van het jaar 2000 met de belastbare winst van het onderhavige jaar dient te leiden tot een teruggaaf van belasting over het onderhavige jaar. Het Hof heeft deze vraag ontkennend beantwoord.
3.3. Bij de beoordeling van de middelen moet het volgende worden vooropgesteld.
Ingevolge artikel 23b, lid 4, van de Wet (tekst tot 1 januari 1990) in verbinding met artikel VII van de Wet van 28 december 1989 tot invoering in de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting van een investeringsaftrek voor investeringen van een beperkte omvang en intrekking van de Wet investeringsrekening, Stb. 601, brengt de verrekening van het verlies van het jaar 2000 met de belastbare winst van het jaar 1997 geen wijziging in de bedragen aan investeringsbijdragen die in mindering zijn gekomen op de belasting over het jaar 1997. Nu toepassing van vermeld artikel 23b, lid 4, zou leiden tot een negatief bedrag aan belasting, diende de aanslag over het jaar 1997, overeenkomstig de tweede volzin van die bepaling, te worden verminderd tot nihil. Van een teruggave van belasting over het onderhavige jaar kan dan ook geen sprake zijn.
3.4. Gelet op hetgeen hiervoor in onderdeel 3.3 is overwogen, is 's Hofs beslissing juist. De middelen kunnen derhalve niet tot cassatie leiden.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 24 september 2004.