ECLI:NL:HR:2004:AR3100

Hoge Raad

Datum uitspraak
1 oktober 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
39300
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • F.W.G.M. van Brunschot
  • C.B. Bavinck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 lid 1 onder b Wet IB 1964Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van aanbetalingen bij ontbinding koopovereenkomst onder landbouwvrijstelling

Belanghebbende, een vennootschap, kreeg voor het jaar 1995 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd, welke na bezwaar en beroep bij het Hof werd gehandhaafd. Het Hof oordeelde dat de aanbetalingen die waren gedaan tot het moment van ontbinding van de koopovereenkomst voor landbouwgrond niet als voordeel uit waardevermeerdering van grond konden worden beschouwd op grond van artikel 8 lid 1 onder Pro b Wet IB 1964.

De Hoge Raad toetste dit oordeel en concludeerde dat het Hof geen onjuiste rechtsopvatting had gegeven en dat de waarderingen van feitelijke aard niet in cassatie aan de orde konden komen. De overige middelen werden niet verder behandeld omdat ze geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling opriepen.

De Hoge Raad wees het beroep in cassatie af en veroordeelde belanghebbende niet in de proceskosten. Hiermee blijft de belastingaanslag gehandhaafd en wordt bevestigd dat aanbetalingen bij ontbinding van een koopovereenkomst onder de landbouwvrijstelling kunnen vallen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de aanslag vennootschapsbelasting blijft gehandhaafd.

Uitspraak

Nr. 39.300
1 oktober 2004
AF
gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 26 november 2002, nr. P01/00208, betreffende na te melden aanslag in de vennootschapsbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1995 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van ƒ 541.895, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Staatssecretaris heeft een conclusie van dupliek ingediend.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. Het Hof heeft, gelet op de voorwaarden waaronder de koopovereenkomst ter zake van de landbouwgrond is gesloten, de betalingen die zijn geschied tot op het moment waarop de overeenkomst is ontbonden, beschouwd als een vergoeding voor een door belanghebbende gelopen risico enerzijds en een door de koper verkregen recht anderzijds. Het Hof heeft hieraan de gevolgtrekking verbonden dat de vergoeding niet is aan te merken als een voordeel ter zake van een waardevermeerdering van gronden als bedoeld in artikel 8 lid Pro 1, aanhef en letter b, Wet IB 1964. Dit oordeel en die gevolgtrekking geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kunnen, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Zij zijn ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Middel 1 faalt.
3.2. De middelen 2 en 3 kunnen evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2004.