ECLI:NL:HR:2004:AR3103

Hoge Raad

Datum uitspraak
1 oktober 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
39848
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • F.W.G.M. van Brunschot
  • C.B. Bavinck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:8 AwbArt. 6:24 AwbArt. 8:79 AwbArt. 20i lid 1 Wet op de inkomstenbelasting 1964
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontvankelijkheid beroep in cassatie inzake belastingbeschikking

In deze zaak is het beroep in cassatie ingesteld door belanghebbende tegen een uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden betreffende een belastingbeschikking op grond van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.

De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie aan de hand van de termijnen zoals gesteld in de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De termijn voor het instellen van het beroep vangt aan de dag na de dag waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, namelijk de toezending van een afschrift van de uitspraak door de griffier van het gerechtshof aan partijen.

In deze zaak vond die toezending plaats op 25 juni 2003, waardoor de termijn startte op 26 juni 2003 en eindigde op 6 augustus 2003. Het beroepschrift werd echter op 7 augustus 2003 per aangetekende post verzonden en op diezelfde dag ontvangen door de griffie van het hof. De Hoge Raad oordeelde dat de redenen voor de termijnoverschrijding onvoldoende waren om te concluderen dat belanghebbende niet in verzuim was. Daarom werd het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. Tevens werd het betaalde griffierecht van € 87 teruggegeven aan belanghebbende.

Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn.

Uitspraak

Nr. 39.848
1 oktober 2004
RvS
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 18 juni 2003, nr. 783/02, betreffende de te zijnen aanzien genomen beschikking als bedoeld in artikel 20i, lid 1, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.
1. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie
De termijn voor het instellen van beroep in cassatie vangt op grond van artikel 6:8, lid 1, in verbinding met artikel 6:24 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Als zodanige wijze van bekendmaking heeft te gelden de toezending door de griffier van het gerechtshof van een afschrift van de uitspraak aan partijen ingevolge artikel 8:79, lid 1, van de Awb (vgl. HR 16 juni 1999, nr. 33848, BNB 1999/287). Die toezending heeft in het onderhavige geval plaatsgevonden op 25 juni 2003. De termijn voor het instellen van beroep in cassatie is derhalve aangevangen op 26 juni 2003 en geëindigd met 6 augustus 2003. Het beroepschrift in cassatie is op 7 augustus 2003 - dus na het verstrijken van die termijn - per aangetekende post aan het Hof verzonden. Blijkens een door de Griffier van het Hof op het beroepschrift in cassatie gestelde aantekening is dit op diezelfde dag ter griffie van het Hof binnengekomen.
De Griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij brief van 21 juni 2004 in de gelegenheid gesteld de redenen voor de termijnoverschrijding mee te delen. Hetgeen belanghebbende in zijn brief van 16 juli 2004 aanvoert is onvoldoende voor het oordeel dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest.
Gelet op het hiervoor overwogene moet het beroep in cassatie niet-ontvankelijk worden verklaard.
2. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2004.
Het door belanghebbende als griffierecht betaalde bedrag van € 87 wordt door de Griffier van de Hoge Raad aan belanghebbende teruggegeven.