ECLI:NL:HR:2004:AR3103
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- C.B. Bavinck
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid beroep in cassatie inzake belastingbeschikking
In deze zaak is het beroep in cassatie ingesteld door belanghebbende tegen een uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden betreffende een belastingbeschikking op grond van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.
De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie aan de hand van de termijnen zoals gesteld in de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De termijn voor het instellen van het beroep vangt aan de dag na de dag waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, namelijk de toezending van een afschrift van de uitspraak door de griffier van het gerechtshof aan partijen.
In deze zaak vond die toezending plaats op 25 juni 2003, waardoor de termijn startte op 26 juni 2003 en eindigde op 6 augustus 2003. Het beroepschrift werd echter op 7 augustus 2003 per aangetekende post verzonden en op diezelfde dag ontvangen door de griffie van het hof. De Hoge Raad oordeelde dat de redenen voor de termijnoverschrijding onvoldoende waren om te concluderen dat belanghebbende niet in verzuim was. Daarom werd het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. Tevens werd het betaalde griffierecht van € 87 teruggegeven aan belanghebbende.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn.