Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2004:AR3108

Hoge Raad

Datum uitspraak
1 oktober 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
40103
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • D.G. van Vliet
  • P. Lourens
  • C.B. Bavinck
  • J.W. van den Berge
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 lid 1 Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing landbouwvrijstelling bij verkoop gronden voor natuurbeheer

Belanghebbende exploiteerde in maatschapsverband een landbouwbedrijf op twee boerderijen met gronden. In 1998 werden deze boerderijen en gronden verkocht aan een vereniging die de gronden wilde gebruiken voor natuurbeheer. De Inspecteur legde een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen op, welke na bezwaar werd gehandhaafd. Het Hof verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond.

Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen de uitspraak van het Hof. De Hoge Raad overwoog dat de voorgenomen aanwending van de gronden niet gericht was op het voortbrengen van dierlijke of plantaardige producten, maar op natuurbeheer. Hierdoor was toepassing van de landbouwvrijstelling niet aan de orde.

De Hoge Raad oordeelde dat het oordeel van het Hof geen onjuiste rechtsopvatting bevatte en dat de feitelijke waarderingen in cassatie niet konden worden getoetst. Het tweede middel werd eveneens verworpen zonder nadere motivering. De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en veroordeelde belanghebbende niet in de proceskosten.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de landbouwvrijstelling wordt niet toegepast op de verkoop van gronden voor natuurbeheer.

Uitspraak

Nr. 40.103
1 oktober 2004
JS
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 4 juni 2003, nr. 1024/01, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1998 een aanslag in de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 835.245, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Op een tweetal boerderijen met gronden exploiteerde belanghebbende in maatschapsverband een landbouwbedrijf. De maatschap heeft haar boerderijen en gronden in 1998 verkocht aan de vereniging A, die op die landerijen een natuurgebied tot ontwikkeling wilde laten komen. Bij monde van haar directeur heeft de vereniging A verklaard:
"Op de aangekochte gronden wordt natuurbeheer uitgeoefend, geen agrarisch bedrijf. Voor instandhouding van het open landschap vindt extensieve begrazing plaats, om bosvorming te voorkomen."
3.2. Het eerste middel komt op tegen 's Hofs oordeel dat de boerderijen en de daarbij behorende grond ten tijde van de verkoop daarvan waarschijnlijk binnenkort buiten het kader van de uitoefening van een landbouwbedrijf worden aangewend, te weten in het kader van natuurbeheer, zodat er geen plaats is voor toepassing van de landbouwvrijstelling van artikel 8 lid Pro 1, aanhef en letter b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.
3.3. Dit oordeel geeft, nu klaarblijkelijk de voorgenomen aanwending van de gronden niet was gericht op het voortbrengen van dierlijke of plantaardige producten, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het middel faalt mitsdien.
3.4. Het tweede middel kan evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu dat middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, P. Lourens, C.B. Bavinck en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2004.