ECLI:NL:HR:2004:AR3516

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 oktober 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
39755
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.G. Pos
  • P.J. van Amersfoort
  • C.J.J. van Maanen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28a Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 231 Gemeentewet
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep hoofd afdeling Belastingen gemeente De Bilt

Belanghebbende had bezwaar gemaakt tegen de vastgestelde waarde van een onroerende zaak door het hoofd van de afdeling Belastingen van de gemeente De Bilt. Het Hof verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond en verlaagde de waarde. Het hoofd van de afdeling Belastingen stelde vervolgens cassatieberoep in op eigen naam.

De Hoge Raad oordeelde dat op grond van artikel 28a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen juncto artikel 231 van Pro de Gemeentewet alleen het college van burgemeester en wethouders bevoegd is om cassatieberoep in te stellen in dit soort zaken. Omdat het beroep door het hoofd van de afdeling Belastingen op eigen naam was ingesteld, werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Daarnaast werd het hoofd van de afdeling Belastingen veroordeeld in de proceskosten van het cassatiegeding, welke door de gemeente De Bilt moeten worden vergoed. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 8 oktober 2004.

Uitkomst: Het cassatieberoep van het hoofd van de afdeling Belastingen van de gemeente De Bilt wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

Nr. 39.755
8 oktober 2004
Za
gewezen op het beroep in cassatie van het hoofd van de afdeling Belastingen van de gemeente De Bilt te Bilthoven tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 14 februari 2003, nr. 02/01398, betreffende na te melden ten aanzien van X te Z gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken.
1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof
Ten aanzien van belanghebbende is bij beschikking de waarde van de onroerende zaak a-straat 1 te Z voor het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004 vastgesteld op ƒ 1.119.000 (€ 507.780).
Na door belanghebbende daartegen gemaakt bezwaar heeft het hoofd van de afdeling Belastingen van de gemeente De Bilt (hierna: ook het Hoofd) bij uitspraak de beschikking gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van het Hoofd vernietigd en de bij de beschikking vastgestelde waarde verminderd tot ƒ 950.000 (€ 431.091).
2. Geding in cassatie
Het Hoofd heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij enkele klachten aangevoerd.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
Het Hoofd heeft een conclusie van repliek ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van dupliek ingediend.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep
Op grond van artikel 28a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen juncto artikel 231 van Pro de Gemeentewet is in een geval als het onderhavige het college van burgemeester en wethouders bij uitsluiting bevoegd tot het instellen van beroep in cassatie. Nu blijkens het beroepschrift in cassatie het beroep op eigen naam is ingesteld door het hoofd van de afdeling Belastingen van de gemeente De Bilt, zal de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaren.
4. Proceskosten
Het Hoofd zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk, en
veroordeelt het Hoofd in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1288 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de gemeente De Bilt aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.G. Pos als voorzitter, en de raadsheren P.J. van Amersfoort, en C.J.J van Maanen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2004.