ECLI:NL:HR:2004:AR3731
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.L.M. Urlings
- W.A.M. van Schendel
- Rechtspraak.nl
Beoordeling redelijke termijn en voorlopige hechtenis bij geschorste hechtenis
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin de verdachte werd veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie en medeplegen van accijnsdelicten. De verdediging stelde dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, mede omdat de verdachte borgsom had gestort bij schorsing van de voorlopige hechtenis.
Het hof stelde vast dat de duur van het hoger beroep ongeveer 21 maanden bedroeg, wat gelet op de complexiteit van de zaak niet onredelijk was. De verdediging voerde aan dat ook bij geschorste voorlopige hechtenis de verdachte als in voorlopige hechtenis verkerend moet worden beschouwd, waardoor de termijn korter had moeten zijn.
De Hoge Raad verwierp deze opvatting en bevestigde dat geschorste voorlopige hechtenis niet gelijkstaat aan daadwerkelijke voorlopige hechtenis. Hierdoor was er geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn. Het beroep in cassatie werd verworpen en de veroordeling van drie jaar gevangenisstraf, waarvan een jaar voorwaardelijk, en een geldboete van €45.450 bleef in stand.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen en de veroordeling blijft in stand.