ECLI:NL:HR:2004:AR4002
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Werkruimte mag niet ten laste van de winst worden gebracht volgens Wet IB’64
Belanghebbende kreeg voor het jaar 1999 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd. Na bezwaar werd deze verminderd tot een belastbaar inkomen van ƒ 102.960. Belanghebbende ging in beroep bij het Hof, dat het beroep ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde belanghebbende beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad beoordeelde het middel en oordeelde dat het Hof op goede gronden een juiste beslissing had genomen. Het middel kon niet tot cassatie leiden. De kern van het geschil betrof de vraag of de werkruimte ten laste van de winst mocht worden gebracht, hetgeen volgens de Hoge Raad niet het geval is op grond van artikel 8b lid 1 sub a Wet IB’64 en de bijtelling van de economische huurwaarde zoals bedoeld in artikel 42a Wet IB’64.
De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en wees geen proceskosten toe. Hiermee werd de uitspraak van het Hof bevestigd en het standpunt van de Belastingdienst ondersteund dat de werkruimte niet van de winst afgetrokken mag worden.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat werkruimte niet ten laste van de winst mag worden gebracht.