ECLI:NL:HR:2004:AR4369
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- C.B. Bavinck
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bewijslastverdeling en waardering voorraad in vennootschapsbelastingzaak
In deze zaak is aan belanghebbende voor het jaar 1995 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd van ƒ 763.672. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur deze aanslag. Belanghebbende ging in beroep bij het Hof, dat het beroep gegrond verklaarde, de uitspraak van de Inspecteur vernietigde en de aanslag verminderde tot een belastbaar bedrag van ƒ 215.385.
De Staatssecretaris van Financiën stelde hiertegen beroep in cassatie in. De Hoge Raad heeft het beroep ongegrond verklaard en daarmee de uitspraak van het Hof bekrachtigd. Het Hof had geoordeeld dat de inkoopwaarde van de voorraad op de balansdatum gelijk was aan de kostprijs minus 14,13% wegens incourantheid, waarbij het aan belanghebbende was om een hoger percentage aannemelijk te maken en aan de Inspecteur om een lager percentage te bewijzen.
De Hoge Raad oordeelde dat het Hof de bewijslastverdeling niet onredelijk had toegepast en dat het middel van de Staatssecretaris faalde. Verder was geen nadere motivering vereist omdat het middel geen rechtsvragen opriep die van belang waren voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De Staatssecretaris werd veroordeeld in de proceskosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van het Hof wordt bekrachtigd.