ECLI:NL:HR:2004:AR6506
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Beoordeling partnerbegrip en middellijk aandeelhouderschap in vennootschapsbelasting
Belanghebbende, opgericht in 1979 door A en G, voerde een pensioenregeling voor directieleden van vennootschappen waarin K B.V. minimaal 10% aandelen bezit. Na ontbinding van het huwelijk tussen A en G bleven zij samenwonen in één woning, waarbij G als partner werd aangeduid in de pensioenregeling van F B.V., waarvan A directeur was.
De kern van het geschil betrof de vraag of G als partner in de zin van artikel 5, letter b, Wet op de vennootschapsbelasting 1969 kon worden beschouwd, wat invloed had op de vrijstelling van vennootschapsbelasting. Het hof oordeelde dat G als partner moest worden aangemerkt, mede vanwege het samenwonen en de pensioenregeling waarin G als partner stond vermeld.
Daarnaast werd vastgesteld dat G via haar lidmaatschap en voorzitterschap van de Coöperatie, die alle aandelen in F B.V. bezit, middellijk aandeelhouder van belanghebbende was. De Hoge Raad verwierp de cassatiemiddelen en bevestigde het oordeel van het hof dat G als partner en middellijk aandeelhouder moet worden beschouwd, waardoor de vrijstelling niet van toepassing was.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het hof oordeelt terecht dat G als partner en middellijk aandeelhouder geldt, waardoor geen vrijstelling vennootschapsbelasting geldt.