ECLI:NL:HR:2004:AR6885
Hoge Raad
- Cassatie
- A.G. Pos
- L. Monné
- A.R. Leemreis
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt belastingheffing privégebruik auto werkgever volgens artikel 10 Belastingverdrag Nederland-Duitsland
Belanghebbende kreeg voor het jaar 1996 een navorderingsaanslag opgelegd op basis van een vermeend voordeel uit privégebruik van een door zijn werkgever ter beschikking gestelde auto. Na bezwaar en beroep bij het Hof werd de aanslag verminderd, waarbij het Hof oordeelde dat het privégebruik van de auto behoort tot het inkomen uit dienstbetrekking en dat Nederland het heffingsrecht heeft volgens artikel 10 van Pro het Belastingverdrag met Duitsland.
De Hoge Raad bevestigt dat er geen sprake is van ambtelijk verzuim door de Inspecteur, omdat deze na het uitblijven van beantwoording van vragen een zelfstandig onderzoek instelde en de uitkomsten daarvan afwachtte alvorens de aanslag vast te stellen. Tevens oordeelt de Hoge Raad dat het autokostenforfait geen fictieve inkomsten betreft die onder artikel 16 van Pro het Verdrag vallen, maar daadwerkelijk inkomen uit niet-zelfstandige arbeid is.
Verder wordt bevestigd dat het voordeel uit privégebruik van de auto uitsluitend aan de Nederlandse werkgever kan worden toegerekend, ondanks betwisting door belanghebbende dat ook de Duitse dochteronderneming als werkgever zou gelden. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt daarmee de uitspraak van het Hof.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt de belastingheffing over het privégebruik van de auto volgens artikel 10 van het Belastingverdrag.