ECLI:NL:HR:2004:AR7746
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aflopend aanmerkelijk belang en winstbewijzen in inkomstenbelasting 1997
Belanghebbende, die sinds 1959 alle aandelen hield in A B.V., wijzigde in 1996 de aandelenstructuur waarbij gewone en cumulatief preferente aandelen werden verkocht aan een bank en winstbewijzen werden behouden. In 1997 verkocht hij deze winstbewijzen aan de bank, waarbij het geschil ontstond of het behaalde voordeel als winst uit aanmerkelijk belang moest worden belast.
Het Hof oordeelde dat het recht om de winstbewijzen te verkopen al in 1996 was toegekend en dat de beoordeling van het aanmerkelijk belang moest plaatsvinden op basis van de wetgeving ten tijde van die toekenning. De Hoge Raad bevestigde dat volgens artikel XIII van de Wet van 13 december 1996 het oude regime van toepassing blijft voor aflopende aanmerkelijk belangen die onder de 5% grens vallen, en dat het voordeel uit de verkoop van winstbewijzen onder dat regime valt.
De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde dat het voordeel uit de vervreemding van de winstbewijzen terecht is belast als winst uit aanmerkelijk belang. Er werd geen veroordeling in proceskosten opgelegd.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat het voordeel uit de vervreemding van winstbewijzen als winst uit aanmerkelijk belang moet worden belast.