ECLI:NL:HR:2005:AE6418
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over aftrekbaarheid deelnemingskosten en vestigingsvrijheid in vennootschapsbelasting
Belanghebbende, een Nederlandse houdstermaatschappij, had voor het jaar 1990 kosten gemaakt die verband hielden met haar deelnemingen in buitenlandse werkmaatschappijen, waaronder ook kosten voor beursnotering en investor relations. De Inspecteur had het verlies vastgesteld en dit na bezwaar gehandhaafd. Het Hof verklaarde het beroep gegrond en stelde het verlies hoger vast, maar wees aftrek van bepaalde kosten af op grond van artikel 13, lid 4, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.
De Hoge Raad stelt vast dat het Hof een onjuist juridisch uitgangspunt heeft gehanteerd door de aftrekbeperking toe te passen in strijd met het arrest Bosal van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. Dit arrest bepaalt dat kosten die verband houden met deelnemingen in andere lidstaten niet mogen worden beperkt op grond van nationale wetgeving die strijdig is met de vestigingsvrijheid en vrijheid van kapitaalverkeer volgens het EG-Verdrag.
Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat kosten voor beursnotering en investor relations geen directe relatie hebben met de deelnemingen en daarom niet onder de aftrekbeperking van artikel 13, lid 4, vallen. Gezien deze overwegingen vernietigt de Hoge Raad het arrest van het Hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling met inachtneming van dit arrest.
De Staatssecretaris van Financiën wordt veroordeeld in de proceskosten van het cassatieberoep, en de Staat moet het griffierecht vergoeden. De uitspraak is gedaan door de Hoge Raad op 1 april 2005.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling met inachtneming van het arrest Bosal.