Uitspraak
[X]te
[Z]tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te Arnhemvan 2 november 2001, nr. 98/04067, betreffende na te melden navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad arrest gewezen over de overschrijding van de redelijke termijn bij een navorderingsaanslag met verhoging in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1995. De belanghebbende was geconfronteerd met een navorderingsaanslag met een verhoging, waarvan de Inspecteur een deel had kwijtgescholden. Na bezwaar en beroep bij het Hof werd de verhoging door het Hof verminderd.
De Hoge Raad formuleert in dit arrest duidelijke vuistregels voor de beoordeling van overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, lid 1, EVRM, met name in fiscale boetezaken. Daarbij wordt uitgegaan van een termijn van twee jaar voor de behandeling in eerste aanleg en eveneens twee jaar voor hoger beroep, met ruimte voor bijzondere omstandigheden. De Hoge Raad benoemt factoren die de redelijkheid van de duur beïnvloeden, zoals de complexiteit van de zaak, de invloed van de belanghebbende, en de voortvarendheid van bestuursorgaan en rechter.
De Hoge Raad benadrukt dat de rechter ambtshalve moet onderzoeken of de redelijke termijn is overschreden en dat bij overschrijding een vermindering van de boete passend is. De toetsing door de Hoge Raad als cassatierechter is beperkt tot de vraag of het oordeel van de feitenrechter onbegrijpelijk is of een onjuiste rechtsopvatting bevat.
In deze zaak oordeelt de Hoge Raad dat het Hof terecht de verhoging heeft verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn en vermindert de Hoge Raad de boete verder met 10 procent vanwege de overschrijding die aan de cassatieprocedure is toe te schrijven. De Hoge Raad verklaart het principale en incidentele beroep ongegrond, vernietigt het hofarrest voor zover het de verhoging betreft, en bepaalt de nieuwe hoogte van de verhoging.
Ten slotte wijst de Hoge Raad af dat proceskosten worden toegewezen en benadrukt het belang van duidelijke regels voor redelijke termijnen in fiscale boetezaken.
Uitkomst: De verhoging bij de navorderingsaanslag wordt verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn tot ƒ 16.065.