ECLI:NL:HR:2005:AR1683
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over verplaatsing feitelijke leiding pensioenlichaam en toepassing belastingverdrag Nederland-België
Belanghebbende, directeur en enige aandeelhouder van A B.V., verhuisde in 1994 naar België, waarna in 1996 de zetel van A B.V. naar België werd verplaatst. De Inspecteur legde een aanslag op basis van een belastbaar inkomen van f 647.518, welke na bezwaar werd gehandhaafd. Het Hof verklaarde het beroep gegrond en verminderde de aanslag tot f 43.509.
De kern van het geschil betrof de vraag of de waarde van de pensioenaanspraak bij de verplaatsing van de feitelijke leiding van A B.V. naar België tot het belastbare inkomen in Nederland behoort, dan wel dat het belastingverdrag Nederland-België exclusief heffingsrecht aan België toekent. Het Hof oordeelde dat de fictie van artikel 11c Wet LB de pensioenaanspraak als fictief loon aan Nederland toerekent, maar dat dit niet strookt met het verdrag.
De Hoge Raad bevestigde dat de fictie van artikel 11c Wet LB niet mag leiden tot een belastingheffing die strijdig is met artikel 18 van Pro het belastingverdrag. De toekenning van de pensioenaanspraak is belastbaar in Nederland, maar de pensioenuitkeringen zelf vallen exclusief onder België. De Hoge Raad verklaarde het beroep van de Staatssecretaris ongegrond en veroordeelde hem in de proceskosten.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën wordt ongegrond verklaard en de toepassing van artikel 11c lid 1 Wet LB wordt in deze verdragssituatie achterwege gelaten.