ECLI:NL:HR:2005:AR4844

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 januari 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R04/013HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • J.B. Fleers
  • P.C. Kop
  • J.C. van Oven
  • P. Neleman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot vaststelling omgangsregeling en informatieverstrekking over minderjarige dochter afgewezen

De vader verzocht bij de rechtbank Arnhem om een omgangsregeling met zijn minderjarige dochter vast te stellen en om de moeder te verplichten informatie over de ontwikkeling van hun dochter te verstrekken. De moeder verzette zich hiertegen. De rechtbank stelde bij eindbeschikking een omgangsregeling vast en verplichtte de moeder tot informatieverstrekking.

De moeder ging in hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem, dat de beschikking van de rechtbank vernietigde, het verzoek tot omgangsregeling afwees en alleen een regeling inzake informatieverstrekking vaststelde. De vader stelde daarop cassatieberoep in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van de vader niet tot cassatie konden leiden en verwierp het beroep zonder nadere motivering, omdat er geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren. De beschikking werd in het openbaar uitgesproken door de vice-president.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de vader wordt verworpen en het hof vernietigt de omgangsregeling.

Uitspraak

14 januari 2005
Eerste Kamer
Rek.nr. R04/013HR
JMH
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De vader],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. J. Groen,
t e g e n
[De moeder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. L. van Hoppe.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 7 maart 2002 gedateerd verzoekschrift heeft verzoeker tot cassatie - verder te noemen: de vader - zich gewend tot de rechtbank te Arnhem en verzocht verweerster in cassatie - verder te noemen: de moeder - te verplichten de in het verzoekschrift omschreven informatie met betrekking tot hun minderjarige dochter te verstrekken en de in het verzoekschrift omschreven omgangsregeling vast te stellen.
De moeder heeft het verzoek bestreden.
De rechtbank heeft bij tussenbeschikking van 22 juli 2002 de raad voor de kinderbescherming verzocht een onderzoek te doen naar de invulling van een omgangsregeling en partijen opgedragen aan de raad voor de kinderbescherming te laten weten of zij hun medewerking aan het onderzoek willen verlenen.
Bij eindbeschikking van 8 mei 2003 heeft de rechtbank ten behoeve van de vader een omgangsregeling vastgesteld en de moeder verplicht om aan de vader informatie over de ontwikkeling van de dochter te verstrekken.
Tegen de eindbeschikking heeft de moeder hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem.
Bij beschikking van 4 november 2003 heeft het hof de eindbeschikking van de rechtbank vernietigd, het verzoek van de vader tot het vaststellen van een omgangsregeling alsnog afgewezen, en een regeling met betrekking tot het door de moeder verschaffen van informatie over de dochter vastgesteld.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de vader beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De moeder heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van de vader heeft bij brief van 11 november 2004 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren J.B. Fleers, als voorzitter, P.C. Kop en J.C. van Oven, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 14 januari 2005.