ECLI:NL:HR:2005:AR5902
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt dat regulerende energiebelasting onderdeel is van vergoeding voor levering elektriciteit en gas
Belanghebbende, een energiebedrijf, had over november 1997 op aangifte omzetbelasting betaald, waaronder een bedrag dat betrekking had op de door haar aan afnemers doorberekende regulerende energiebelasting (REB). Belanghebbende maakte bezwaar tegen de heffing van omzetbelasting over dit bedrag, stellende dat de REB als 'uitschotten van belasting' niet tot de vergoeding behoorde en dus niet belastbaar was. Het Hof verwierp dit bezwaar en verklaarde het beroep ongegrond.
In cassatie stelde belanghebbende dat de REB niet tot de vergoeding voor de levering van elektriciteit en gas behoort, omdat zij geen dienst verleent maar goederen levert, en dat artikel 4 lid 1 letter Pro c van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 van toepassing zou moeten zijn. De Hoge Raad oordeelde dat de levering van elektriciteit en gas moet worden aangemerkt als levering van goederen en niet als het verrichten van een dienst. Hierdoor is artikel 4 lid 1 letter Pro c niet van toepassing.
Het middel faalt en het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard. De Hoge Raad veroordeelt belanghebbende niet in de proceskosten. Hiermee is bevestigd dat de REB onderdeel uitmaakt van de vergoeding waarover omzetbelasting verschuldigd is.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de REB behoort tot de vergoeding waarover omzetbelasting wordt berekend.