ECLI:NL:HR:2005:AR8211

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 maart 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R04/083HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • H.A.M. Aaftink
  • D.H. Beukenhorst
  • O. de Savornin Lohman
  • P. Neleman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22 lid 4 Wet tarieven in burgerlijke zakenArt. 243 RvArt. 278 lid 3 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzet tegen dwangbevel wegens niet-ondertekend verzoekschrift

In deze zaak heeft opposant verzet aangetekend tegen een door de Griffier van de Hoge Raad uitgevaardigd dwangbevel tot betaling van griffierechten. Dit dwangbevel was opgelegd nadat opposant het aan hem opgelegde bedrag van €1.664,07 niet had voldaan. Het verzet werd ingediend middels een brief die niet was ondertekend door een advocaat, hetgeen een vereiste is op grond van artikel 278 lid 3 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

De griffier kwalificeerde de brief van opposant als een verzet en diende een verweerschrift in waarin werd geconcludeerd tot verwerping van het verzet. De Advocaat-Generaal adviseerde het verzet ongegrond te verklaren. Ondanks de mogelijkheid om het verzuim te herstellen, handhaafde opposant zijn brief zonder aanpassing en betitelde hij de kwalificatie van zijn brief als verzetschrift als onjuist.

De Hoge Raad oordeelde dat de brief van opposant wel degelijk een verzet inhield, maar dat dit niet op de voorgeschreven wijze was ingesteld. Daarom werd opposant niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzet. Tevens wees de Hoge Raad het verzoek af om leden van het hof te doen ontzetten, aangezien zij hiertoe niet bevoegd is.

Uitkomst: Opposant is niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzet tegen het dwangbevel wegens het ontbreken van een door een advocaat ondertekend verzoekschrift.

Uitspraak

18 maart 2005
Eerste Kamer
Rek.nr. R04/083HR
JMH
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[Opposant],
wonende te [woonplaats],
OPPOSANT op de voet van art. 22 lid 4 Wet Pro tarieven in burgerlijke zaken in verbinding met art. 243 Rv Pro. tegen een door de Griffier van de Hoge Raad uitgevaardigd dwangbevel.
1. De feiten
De Hoge Raad heeft bij arrest van 19 december 2003, zaaknummer C02/214HR, in de zaak tegen [betrokkene 1] het cassatieberoep verworpen dat was ingesteld door opposant, verder te noemen: [opposant], en [opposant] veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie, tot op die uitspraak aan de zijde van [betrokkene 1] voornoemd begroot op € 1.741,07 in totaal, waarvan € 1.664,07 op de voet van art. 243 Rv Pro. te voldoen aan de griffier, en € 77,-- aan [betrokkene 1].
[opposant] heeft voormeld bedrag van € 1.664,07 niet aan de griffier voldaan.
De griffier heeft op 28 mei 2004 ten laste van [opposant] een door de voorzitter van de Hoge Raad op dezelfde datum executoir verklaard dwangbevel uitgevaardigd dat ertoe strekt dat [opposant] voormeld bedrag van € 1.664,07, te vermeerderen met invorderingskosten en BTW daarover, binnen een maand na betekening voldoet. Dit dwangbevel is op 16 juni 2004 aan [opposant] betekend.
Naar aanleiding van dit dwangbevel heeft [opposant] zich bij brief van 18 juni 2004 tot de Hoge Raad gewend. De griffier heeft deze brief aangemerkt als een verzet op grond van art. 243 lid 3 Rv Pro.
De griffier heeft daarop een verweerschrift ingediend en daarin geconcludeerd tot verwerping van het verzet.
Het verzoekschrift en het verweerschrift zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal C.L. de Vries Lentsch-Kostense strekt tot ongegrondverklaring van het verzet.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het verzet
Op een bij de Hoge Raad ingesteld verzet op grond van art. 243 lid 3 Rv Pro. is art. 278 lid 3 Rv Pro. van overeenkomstige toepassing. Het kan derhalve slechts worden ingesteld door middel van een verzoekschrift dat is ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad. De brief van [opposant] van 18 juni 2004 voldoet niet aan dit vereiste. Na in de gelegenheid te zijn gesteld om dit verzuim te herstellen, heeft [opposant] bij brief van 24 januari 2005 laten weten zijn brief van 18 juni 2004 zonder meer te handhaven.
In de brief van 24 januari 2005 kwalificeert [opposant] de duiding van zijn brief van 18 juni 2004 als een verzetschrift als een leugen. Nu hij deze brief onverkort handhaaft, neemt deze kwalificatie niet weg dat de brief van 18 juni 2004 bezwaren tegen het dwangbevel inhoudt en derhalve moet worden aangemerkt als een verzet op grond van art. 243 lid 3 Rv Pro. Nu dit niet is ingesteld op de door de wet voorgeschreven wijze, moet [opposant] echter in dit verzet niet-ontvankelijk worden verklaard.
De brief van 18 juni 2004 bevat voorts een oproep om initiatieven te ontplooien om de leden van het hof, die het arrest hebben gewezen waarop het onder 1 vermelde arrest van de Hoge Raad betrekking heeft, uit hun ambt te doen ontzetten. Deze oproep houdt niet een verzoek in waarover de Hoge Raad uitspraak dient te doen. Hierbij tekent de Hoge Raad overigens aan dat hij niet bevoegd is tot het ontplooien van initiatieven zoals door [opposant] gewenst.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart [opposant] niet-ontvankelijk in zijn verzet.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren H.A.M. Aaftink, als voorzitter, D.H. Beukenhorst en O. de Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 18 maart 2005.