ECLI:NL:HR:2005:AR8225
Hoge Raad
- Cassatie
- W.J.M. Davids
- G.J.M. Corstens
- J.P. Balkema
- J.W. Ilsink
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Begrip en toepassing van 'behulpzaam zijn' bij zelfdoding volgens art. 294 Sr
De zaak betreft het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Leeuwarden, waarin hij werd veroordeeld voor medeplegen van opzettelijke behulpzaamheid bij zelfdoding van het slachtoffer op 5 april 2001. Het hof stelde vast dat verdachte en mededaders gedurende de periode voorafgaand aan de zelfdoding diverse handelingen hebben verricht, zoals het klaarmaken van medicijnen, het verstrekken van een lijst met benodigdheden en het helpen bij het innemen van medicijnen en alcohol.
Verdediging voerde aan dat strafbare behulpzaamheid slechts kan bestaan tijdens de uitvoering van de zelfdoding, niet daarvoor. Het hof verwierp dit, stellende dat het tijdstip van hulp niet doorslaggevend is en dat ook voorafgaande instructies en concrete handelingen onder het begrip 'behulpzaam zijn' kunnen vallen. De Hoge Raad bevestigde deze uitleg en benadrukte dat het begrip 'behulpzaam zijn' een eigen betekenis heeft die aansluit bij het algemeen spraakgebruik en afhankelijk is van de feiten en omstandigheden.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep, oordeelde dat het hof de term juist heeft uitgelegd en dat er geen reden is het arrest te vernietigen. De veroordeling tot twaalf maanden gevangenisstraf, waarvan acht voorwaardelijk, blijft gehandhaafd. Hiermee is de strafrechtelijke aansprakelijkheid voor gedragingen voorafgaand aan zelfdoding bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat strafbare behulpzaamheid bij zelfdoding ook gedragingen voorafgaand aan de zelfdoding omvat en wijst het cassatieberoep af.