Uitspraak
[woonplaats].
15 februari 2005.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, waarin de verdachte was veroordeeld voor verkrachting tot een gevangenisstraf en een taakstraf. De verdediging verzocht het hof om een getuige te horen en een bevel tot medebrenging van deze getuige te gelasten, omdat de getuige niet was verschenen bij de zittingen in hoger beroep.
Het hof had de getuige wel hernieuwd opgeroepen, maar weigerde een bevel tot medebrenging te gelasten, omdat het onaannemelijk achtte dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn zou verschijnen, en vond dat de verdediging al twee keer de gelegenheid had gehad de getuige te ondervragen. De verdediging stelde dat het hof deze beslissing onvoldoende had gemotiveerd.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof de juiste maatstaf had toegepast, maar dat het oordeel niet begrijpelijk was omdat het ontbrak aan nadere motivering waarom het hof het onaannemelijk achtte dat de getuige zou verschijnen ondanks een bevel tot medebrenging, terwijl de getuige een bekende woonplaats had en nog niet eerder een bevel tot medebrenging was gelast.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak terug naar het hof Amsterdam voor hernieuwde berechting en afdoening op het bestaande hoger beroep.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling.