ECLI:NL:HR:2005:AS2793

Hoge Raad

Datum uitspraak
1 februari 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03004/04 U
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • C.J.G. Bleichrodt
  • J.P. Balkema
  • A.J.A. van Dorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 74 OverleveringswetArt. 81 RO
Verwijzingen
5 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt uitleg art. 74 lid 4 Overleveringswet inzake uitleveringsstukken

In deze zaak stond het beroep in cassatie centraal tegen een uitspraak van de Rechtbank te Haarlem die de uitlevering van een persoon naar aanleiding van een verzoek van het Bayerisches Staatsministerium der Justiz toelaatbaar had verklaard. De opgeëiste persoon stelde dat de rechtbank art. 74, vierde lid, van de Overleveringswet onjuist had uitgelegd.

De kern van het geschil betrof de interpretatie van de term 'de stukken' in art. 74 lid 4 Overleveringswet Pro. De verdediging betoogde dat dit uitsluitend de stukken zijn die volledig voldoen aan de vereisten van het toepasselijke uitleveringsverdrag. De Hoge Raad oordeelde echter dat deze opvatting onjuist is, mede op grond van de conclusie van de waarnemend Advocaat-Generaal.

De Hoge Raad zag geen aanleiding om de bestreden uitspraak te vernietigen en verwierp het beroep. Er waren geen gronden om ambtshalve tot vernietiging over te gaan en de overige middelen waren onvoldoende om tot cassatie te leiden. Hiermee werd bevestigd dat de Overleveringswet van toepassing blijft op verzoeken die vóór het inwerkingtreden van de wet zijn ontvangen, zonder dat strikt alle stukken aan het uitleveringsverdrag hoeven te voldoen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de uitlevering blijft toelaatbaar verklaard.

Uitspraak

1 februari 2005
Strafkamer
nr. 03004/04 U
SG/IV
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank te Haarlem (vestiging Schiphol), van 11 oktober 2004, nummer 15/700027-04, op een verzoek van het Bayerisches Staatsministerium der Justiz tot uitlevering van:
[de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedatum] 1970, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van de opgeëiste persoon toelaatbaar verklaard ter strafvervolging ter zake van de in de bestreden uitspraak omschreven feiten.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft mr. A. Moszkowicz, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De waarnemend Advocaat-Generaal Keijzer heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De conclusie is aan dit arrest gehecht.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. Het eerste middel strekt onder meer ten betoge dat de Rechtbank art. 74, vierde lid, Overleveringswet onjuist heeft uitgelegd.
3.2. Art. 74, vierde lid, Overleveringswet luidt als volgt:
"De Uitleveringswet blijft van toepassing op de behandeling van een verzoek tot uitlevering en op de in verband daarmede te nemen beslissingen, in gevallen waarin de stukken betreffende dat verzoek vóór het tijdstip van het in werking treden van deze wet zijn ontvangen door Onze Minister."
3.3. De klacht steunt - naar de Hoge Raad begrijpt - op de opvatting dat onder de in deze bepaling gebezigde uitdrukking "de stukken" moet worden verstaan: de stukken die geheel voldoen aan de vereisten van het toepasselijke uitleveringsverdrag. Die opvatting is - op de gronden als vermeld in de conclusie van de waarnemend Advocaat-Generaal onder 12 en 13 - echter onjuist, zodat de klacht faalt.
3.4. Ook voor het overige kunnen de middelen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de waarnemend-griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 1 februari 2005.