ECLI:NL:HR:2005:AS3595
Hoge Raad
- Cassatie
- J.B. Fleers
- P.C. Kop
- E.J. Numann
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt bestuurdersaansprakelijkheid op grond van Invorderingswet 1990
In deze zaak vorderde de ontvanger van de Belastingdienst dat eiser en eiseres, als bestuurders van de failliete vennootschap [A] B.V., hoofdelijk aansprakelijk werden gesteld voor een belastingschuld van ƒ 284.829,-- plus invorderingsrente, op grond van artikel 36 van Pro de Invorderingswet 1990.
De rechtbank Breda wees de vordering toe bij eindvonnis van 8 mei 2001, nadat de vordering eerder was bevestigd in een tussenvonnis van 14 maart 2000. Eiser en eiseres stelden hoger beroep in bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch, dat hen niet-ontvankelijk verklaarde in het beroep tegen het tussenvonnis en het eindvonnis bekrachtigde bij arrest van 13 maart 2003.
Tegen dit arrest werd cassatie ingesteld bij de Hoge Raad. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en verwierp het beroep zonder nadere motivering, aangezien geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren. De bestuurders werden veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de bestuurders wordt verworpen en hun hoofdelijke aansprakelijkheid bevestigd.