ECLI:NL:HR:2005:AS5865

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 april 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02264/04
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • F.H. Koster
  • G.J.M. Corstens
  • J.W. Ilsink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 239 SrArt. 70 SrArt. 81 RO
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervolgingsverjaring bij schennis van de eerbaarheid in periode 1990-1999

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem waarin de verdachte werd veroordeeld voor meerdere feiten van ontuchtige handelingen en schennis van de eerbaarheid gepleegd tussen 1990 en 1999. De Hoge Raad oordeelt dat de vervolgingsverjaring ex artikel 70 Sr Pro is vervuld voor de periode van 1 januari 1990 tot en met 18 november 1996, omdat gedurende zes jaren voorafgaand aan de dagvaarding van 19 november 2002 geen vervolgingshandelingen zijn verricht.

Hierdoor is het recht tot strafvordering voor die periode vervallen en verklaart de Hoge Raad het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk voor de tenlastegelegde feiten in die periode. De bestreden uitspraak wordt vernietigd voor zover deze betrekking heeft op die feiten en de strafoplegging. De zaak wordt terugverwezen naar het hof voor een nieuwe beslissing over de strafoplegging.

Het cassatiemiddel van de verdachte wordt verworpen, omdat het geen rechtsvragen bevat die beantwoording behoeven in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De Hoge Raad bevestigt daarmee de toepassing van de vervolgingsverjaring en de noodzaak tot niet-ontvankelijkverklaring van het OM voor de feiten binnen de vervallen termijn.

Uitkomst: Het Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk verklaard voor schennis van de eerbaarheid gepleegd tot 18 november 1996 wegens vervulling van de vervolgingsverjaring.

Uitspraak

12 april 2005
Strafkamer
nr. 02264/04
IV/AG
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 29 december 2003, nummer 21/002588-03, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1948, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Arnhem van 28 mei 2003 - de verdachte ter zake van 1. en 2. "met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren ontuchtige handelingen plegen; meermalen gepleegd" en "met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen; meermalen gepleegd" en 3. "schennis van de eerbaarheid op een niet openbare plaats, terwijl een ander daarbij zijns ondanks tegenwoordig is; meermalen gepleegd" veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. P-P.F. Tummers, advocaat te Nijmegen, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak wat betreft de bewezenverklaring van feit 3 in de periode van 1 januari 1990 tot en met 19 november 1996, tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging van het onder 3 tenlastegelegde feit voor de hierboven genoemde periode en tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.1. Onder 3 is aan de verdachte tenlastegelegd - zakelijk weergegeven - het meermalen plegen van schennis van de eerbaarheid als bedoeld in art. 239, aanhef en onder 3º, Sr in de periode van 1 januari 1990 tot en met 1 januari 1999.
4.2. Blijkens de stukken van het geding is de inleidende dagvaarding op 19 november 2002 betekend. Uit de stukken van het geding blijkt niet dat gedurende zes jaren daaraan voorafgaand enige daad van vervolging is verricht, zodat het ervoor moet worden gehouden dat de verjaring van de feiten niet voor 19 november 2002 is gestuit. De in art. 70, aanhef en onder 2°, Sr bepaalde termijn is dus wat betreft de feiten voor zover deze zijn gepleegd in de periode van 1 januari 1990 tot en met 18 november 1996 vervuld, zodat het recht tot strafvordering in zoverre is vervallen. De Hoge Raad zal met vernietiging van de bestreden uitspraak in zoverre, het Openbaar Ministerie alsnog niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging van de onder 3 tenlastegelegde feiten wat betreft de periode van 1 januari 1990 tot en met 18 november 1996.
5. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 4 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van de bij de inleidende dagvaarding onder 3 tenlastegelegde feiten, voor zover deze zouden zijn begaan in de periode van 1 januari 1990 tot en met 18 november 1996, alsmede wat betreft de strafoplegging;
Verklaart de Officier van Justitie niet-ontvankelijk in de vervolging wat betreft de onder 3 tenlastegelegde feiten, voor zover deze zouden zijn begaan in voormelde periode;
Wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Arnhem opdat de zaak wat de strafoplegging betreft op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan:
Verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier J.S. Holthuis en uitgesproken op 12 april 2005.
Mr. F.H. Koster is buiten staat dit arrest te ondertekenen.