ECLI:NL:HR:2005:AS5865
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- G.J.M. Corstens
- J.W. Ilsink
- Rechtspraak.nl
Vervolgingsverjaring bij schennis van de eerbaarheid in periode 1990-1999
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem waarin de verdachte werd veroordeeld voor meerdere feiten van ontuchtige handelingen en schennis van de eerbaarheid gepleegd tussen 1990 en 1999. De Hoge Raad oordeelt dat de vervolgingsverjaring ex artikel 70 Sr Pro is vervuld voor de periode van 1 januari 1990 tot en met 18 november 1996, omdat gedurende zes jaren voorafgaand aan de dagvaarding van 19 november 2002 geen vervolgingshandelingen zijn verricht.
Hierdoor is het recht tot strafvordering voor die periode vervallen en verklaart de Hoge Raad het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk voor de tenlastegelegde feiten in die periode. De bestreden uitspraak wordt vernietigd voor zover deze betrekking heeft op die feiten en de strafoplegging. De zaak wordt terugverwezen naar het hof voor een nieuwe beslissing over de strafoplegging.
Het cassatiemiddel van de verdachte wordt verworpen, omdat het geen rechtsvragen bevat die beantwoording behoeven in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De Hoge Raad bevestigt daarmee de toepassing van de vervolgingsverjaring en de noodzaak tot niet-ontvankelijkverklaring van het OM voor de feiten binnen de vervallen termijn.
Uitkomst: Het Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk verklaard voor schennis van de eerbaarheid gepleegd tot 18 november 1996 wegens vervulling van de vervolgingsverjaring.