Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2005:AS5978

Hoge Raad

Datum uitspraak
29 april 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R05/007HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 lid 6 Wet BopzArt. 15 lid 1 Wet BopzArt. 17 lid 2 Wet BopzArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing contra-expertise bij machtiging voortgezet psychiatrisch verblijf

In deze zaak ging het om het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf van verzoeker in een psychiatrisch ziekenhuis. De rechtbank had deze machtiging verleend en het verzoek van verzoeker tot het verrichten van een contra-expertise afgewezen. Verzoeker was het niet eens met de diagnose schizofrenie en wilde een nader onderzoek laten verrichten.

De Hoge Raad overwoog dat de algemene regels van de verzoekschriftprocedure van toepassing zijn, waarbij de rechter vrij is een verzoek tot nader deskundigenonderzoek af te wijzen, mits deze afwijzing gemotiveerd is. De rechtbank had geoordeeld dat een contra-expertise niet nodig was omdat de diagnose ook door een onafhankelijke arts in een ander ziekenhuis was gesteld, en deze motivatie voldeed aan de eisen.

De Hoge Raad oordeelde dat de afwijzing van het verzoek tot contra-expertise niet onjuist was, ondanks dat de eerdere diagnose al jaren geleden was gesteld. De medische verklaringen en de medische voorgeschiedenis bevestigden de diagnose. Het beroep werd daarom verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de afwijzing van het verzoek tot contra-expertise bij de machtiging tot voortgezet verblijf.

Uitspraak

29 april 2005
Eerste Kamer
Rek.nr. R05/007HR
JMH/RM
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[Verzoeker],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. G.E.M. Later.
1. Het geding in feitelijke instantie
De officier van justitie in het arrondissement Amsterdam heeft op 21 september 2004 onder overlegging van een op 16 september 2004 ondertekende geneeskundige verklaring een verzoek ingediend bij de rechtbank aldaar tot het verlenen van een machtiging tot het voortgezet verblijf van verzoeker tot cassatie - verder te noemen: verzoeker - in een psychiatrisch ziekenhuis.
Nadat de rechtbank verzoeker, bijgestaan door zijn advocaat, de behandelend psychiater en een sociaal psychiatrisch verpleegkundige op 12 oktober 2004 had gehoord, heeft zij bij beschikking van diezelfde dag de machtiging tot voortgezet verblijf van verzoeker in een psychiatrisch ziekenhuis, ingaande op 13 oktober 2004 en eindigende op 12 oktober 2005, verleend.
De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van de rechtbank heeft verzoeker beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1 Het gaat in dit geding om het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf als bedoeld in art. 15 lid 1 Wet Pro Bopz. Bij de mondelinge behandeling is namens verzoeker verzocht de zaak aan te houden en een contra-expertise te gelasten om te kijken naar de stoornis en het gevaar. Daartoe werd aangevoerd dat verzoeker het niet eens is met de diagnose, dat hij de ziekte ontkent en dat hij geen medicatie wil, ook geen andere dan hij nu heeft. Voorts werd gesteld dat het gevaar dat in de stukken beschreven staat niet zodanig ernstig is dat steeds een rechterlijke machtiging nodig is om het af te wenden. De rechtbank heeft de verzochte machtiging verleend en daarbij overwogen: "De rechtbank wijst het verzoek tot het verrichten van een contra-expertise in dit stadium af, nu de diagnose ook in een ander ziekenhuis door een onafhankelijke arts is gesteld."
3.2 Onderdeel I keert zich tegen de afwijzing van het verzoek tot het verrichten van een contra-expertise, en klaagt dat de zojuist aangehaalde overweging onjuist, onbegrijpelijk en in ieder geval onvoldoende gemotiveerd is. Indien de rechtbank doelt op de diagnose die is gesteld in het AMC, waar verzoeker in 1995 met een inbewaringstelling in verband met een psychotisch toestandsbeeld was opgenomen en waar schizofrenie zou zijn vastgesteld, dan gaat het om gegevens van negen tot tien jaar geleden. Blijkens de in dit geding overgelegde geneeskundige verklaring wordt kennelijk vanaf 1992, dus al twaalf tot dertien jaar, uitgegaan van schizofrenie. Nu verzoeker stelde dat het gevaar onvoldoende uit de geneeskundige verklaring bleek, is de verwijzing naar een door een onafhankelijke arts gestelde diagnose in een ander ziekenhuis waarvan niet bekend is welke arts de rechtbank bedoelt en welk ziekenhuis, onvoldoende om een dergelijk klemmend verzoek na zoveel jaren af te wijzen, aldus het onderdeel.
3.3.1 Bij de beoordeling van dit onderdeel wordt het volgende vooropgesteld. Op procedures als de onderhavige zijn, voorzover de Wet Bopz dienaangaande geen afwijkende regeling inhoudt, de algemene regels van procesrecht in de verzoekschriftprocedure toepasselijk, die de rechter een grote vrijheid laten al dan niet een (nader) bericht of verhoor van deskundigen te bevelen. Art. 8 lid 6 Wet Pro Bopz (dat hier ingevolge art. 17 lid 2 Wet Pro Bopz toepasselijk is) houdt het volgende in:
"De rechter kan onderzoek door deskundigen bevelen en is bevoegd deze deskundigen alsmede getuigen op te roepen. De rechter roept de door de betrokkene opgegeven deskundigen en getuigen op, tenzij hij van oordeel is dat door het achterwege blijven daarvan de betrokkene redelijkerwijs niet in zijn belangen kan zijn geschaad. Indien hij een opgegeven deskundige of getuige niet heeft opgeroepen, vermeldt hij de reden daarvan in de beschikking."
Uit de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.4 en 2.6 vermelde gegevens blijkt dat met de eerste volzin niet is beoogd een andere regeling te geven dan in de algemene verzoekschriftprocedure. Met de tweede en derde volzin heeft de wetgever evenwel in afwijking daarvan een verplichting tot het horen van door de betrokkene opgegeven deskundigen en getuigen willen invoeren, met dien verstande dat de rechter een verzoek tot oproeping van een deskundige of getuige gemotiveerd kan afwijzen, indien hij van oordeel is dat de betrokkene door het achterwege blijven daarvan redelijkerwijs niet in zijn belangen kan zijn geschaad. Een aanwijzing dat dit laatste criterium ook zou moeten worden toegepast bij de beoordeling van een verzoek van de betrokkene een nader onderzoek door een deskundige te bevelen, kan uit de wetsgeschiedenis niet worden afgeleid. De rechter is derhalve overeenkomstig de algemene regels in de verzoekschriftprocedure vrij een verzoek tot het verrichten van een nader onderzoek door een deskundige af te wijzen. Niettemin moet, gelet op de ingrijpende aard van de door de rechter te nemen, tot vrijheidsbeneming leidende beslissing worden aangenomen dat een verzoek tot het verrichten van een nader onderzoek door een deskundige slechts gemotiveerd kan worden afgewezen. De eisen die aan die motivering moeten worden gesteld, hangen af van de omstandigheden van het geval, waarbij met name van belang is op welke punten het verzochte nadere onderzoek zich volgens de betrokkene zou moeten richten, en de mate waarin de rechter uit de bij het verzoek tot het verlenen van de machtiging overgelegde geneeskundige verklaring en de overige stukken reeds duidelijkheid heeft verkregen omtrent de door hem te beslissen punten.
3.3.2 In het licht van het voorgaande geeft de bestreden beslissing van de rechtbank geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, en voldoet zij aan de daaraan te stellen motiveringseisen. De beslissing van de rechtbank het verzoek tot het verrichten van een contra-expertise, waarop de eerste volzin van art. 8 lid 6 Wet Pro Bopz van toepassing is, af te wijzen, komt erop neer dat de rechtbank het verzochte nadere deskundigenonderzoek naar de stoornis en het gevaar niet nodig heeft geoordeeld, omdat daaromtrent reeds voldoende duidelijkheid bestaat nu de diagnose ook in een ander ziekenhuis door een onafhankelijke arts is gesteld. Die beslissing is toereikend gemotiveerd, gelet op de geneeskundige verklaring, waarin de diagnose "schizofrenie, paranoïde type" is gesteld, en waarin in rubriek 3.d is vermeld dat betrokkene vanaf 1992 bekend is met deze aandoening en sinds die tijd minstens driemaal vanwege een acute psychose onder dwang in een psychiatrisch ziekenhuis opgenomen is geweest, de laatste keer in 2004, waarbij het staken van de medicatie op eigen initiatief een grote rol heeft gespeeld. Daarbij is voorts in aanmerking te nemen dat de in de geneeskundige verklaring vermelde feiten door of namens verzoeker niet zijn bestreden en bevestiging vinden in de overgelegde ontslagbrief van 23 april 2004, die een samenvatting van de medische voorgeschiedenis geeft. De rechtbank behoefde zich van haar beslissing niet te laten weerhouden door - en behoefde deze niet nader te motiveren in verband met - de omstandigheden dat reeds twaalf tot dertien jaar geleden werd uitgegaan van schizofrenie en dat reeds negen tot tien jaar geleden in het AMC de diagnose schizofrenie werd gesteld. Weliswaar gaat het hier om gegevens van oudere datum, maar de reeds in 1995 gestelde diagnose stemt overeen met die in de recente geneeskundige verklaring van de niet bij de behandeling betrokken psychiater [betrokkene 1] en wordt blijkens de bestreden beschikking door de behandelend psychiater [betrokkene 2] onderschreven, terwijl ook de genoemde ontslagbrief van 23 april 2004 als diagnose "schizofrenie, paranoide type" vermeldt. Onderdeel I faalt derhalve.
3.4 Ook de in onderdeel II aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren D.H. Beukenhorst, A.M.J. van Buchem-Spapens, E.J. Numann en W.A.M. van Schendel, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 29 april 2005.