ECLI:NL:HR:2005:AS7953
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- C.B. Bavinck
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing vermindering voorlopige aanslag inkomstenbelasting 1998
Belanghebbende kreeg voor het jaar 1998 een voorlopige aanslag opgelegd op basis van een belastbaar inkomen van ƒ 251.903. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur deze aanslag. Belanghebbende ging in beroep bij het Hof, dat het beroep ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde belanghebbende beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad oordeelde dat belanghebbende ten tijde van de uitspraak van het Hof niet voldeed aan de vereisten van artikel 45b, lid 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, noch aan het besluit van 9 september 1998 (BNB 1999/416). Hierdoor kon het Hof terecht concluderen dat de voorlopige aanslag niet voor vermindering in aanmerking kwam.
Hoewel de Staatssecretaris inmiddels de Inspecteur had opgedragen een termijn te stellen waarbinnen belanghebbende alsnog met fiscaal gevolg de premie voor een lijfrente kon betalen, deed dit niet af aan de rechtmatigheid van de aanslag. De Hoge Raad wees het beroep af en zag geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de voorlopige aanslag blijft gehandhaafd.