Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2005:AT1096

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 juni 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R04/130HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377a BWArt. 1:377f BWArt. 1:377h BWArt. 812 RvArtikel 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling omgangsregeling voor ouder met gezag over minderjarig kind

De moeder, houdster van het ouderlijk gezag over haar minderjarige kind, verzocht de rechtbank om een omgangsregeling vast te stellen waarbij zij het kind om de veertien dagen een weekend en twee weken in de zomervakantie bij zich mocht hebben. De rechtbank verklaarde haar verzoek niet-ontvankelijk, en het hof bekrachtigde deze beslissing. De moeder stelde vervolgens beroep in cassatie in.

De Hoge Raad overwoog dat ook de ouder die met het gezag is belast recht heeft op omgang met het kind en dat de wet de mogelijkheid biedt om een omgangsregeling door de rechter te laten vaststellen, ook voor deze ouder. Het hof had ten onrechte het verzoek niet-ontvankelijk verklaard en onvoldoende gemotiveerd waarom de moeder geen recht zou hebben op een omgangsregeling ondanks haar gezagspositie.

De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof en verwees de zaak naar een ander gerechtshof voor verdere behandeling en beslissing. Hiermee werd bevestigd dat het recht op omgang niet beperkt is tot de niet-gezagsouder en dat de rechter een omgangsregeling kan vaststellen ten behoeve van de gezagsouder.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak naar een ander gerechtshof voor verdere behandeling en beslissing.

Uitspraak

24 juni 2005
Eerste Kamer
Rek.nr. R04/130HR
RM
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De moeder],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. D. Rijpma,
t e g e n
[De vader],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 20 oktober 2003 ter griffie van de rechtbank te Utrecht ingekomen verzoekschrift heeft verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de moeder - zich gewend tot die rechtbank en verzocht te bepalen dat zij haar minderjarig kind, [het kind], gedurende een weekend per veertien dagen bij zich mag hebben, van vrijdagavond tot zondagavond, alsmede een aaneengesloten periode van twee weken in de zomervakantie.
De rechtbank heeft bij beschikking van 7 januari 2004 de moeder niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek.
Tegen deze beschikking heeft de moeder hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.
Bij beschikking van 2 september 2004 heeft het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigd.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de moeder beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vader heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) De moeder en de vader hebben een affectieve relatie gehad en samengewoond van 1993 tot 1996. Uit hun relatie is op [geboortedatum] 1996 [het kind] (hierna ook: het kind) geboren. De vader heeft het kind op 2 september 1999 erkend. De moeder heeft van rechtswege het ouderlijk gezag over het kind.
(ii) Op 26 april 2000 heeft de moeder met de vader afgesproken dat hij twee maanden voor het kind zou zorgen. De vader heeft daarna het contact met de moeder verbroken. Het kind verblijft sedertdien bij de vader.
3.2 De moeder heeft aan haar hiervoor onder 1 vermelde verzoek, kort gezegd strekkende tot het vaststellen van een omgangsregeling tussen haar en het kind, ten grondslag gelegd dat in mei 2001 door partijen is overeengekomen dat het kind bij de vader zal blijven wonen en dat de moeder het kind mag opzoeken wanneer zij wil. Volgens de moeder heeft de vader zich niet aan de overeengekomen omgangsregeling gehouden.
De rechtbank heeft de moeder niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek. Het hof heeft de beschikking van de rechtbank bekrachtigd en heeft daartoe als volgt overwogen:
"4.2. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de artikelen 377a lid 1 en 377f BW in casu niet van toepassing zijn nu de moeder met het ouderlijk gezag is belast. Hieruit vloeit voort dat de moeder onbeperkt contact met haar dochter kan hebben op elk gewenst tijdstip. De vader dient het kind aan de moeder af te geven als zij daarom verzoekt, tenzij de moeder daarmee beoogt wijziging in de verblijfplaats van [het kind] aan te brengen aangezien haar in dat geval het blokkaderecht kan worden tegengeworpen.
4.3. Gelet op de van toepassing zijnde wetgeving en de voor de moeder aanwezige mogelijkheden voor omgang met [het kind] is er in casu geen strijd met artikel 8 EVRM Pro."
3.3.1 Onderdeel 1 komt erop neer dat het hof het verzoek van de moeder te beperkt heeft uitgelegd en dat het hof inhoudelijk op het verzoek had moeten beslissen. Onderdeel 2.1 klaagt dat het oordeel van het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, voorzover het hof met rov. 4.2 bedoelt te zeggen dat de wet niet voorziet in de bevoegdheid van de enige met het gezag belaste ouder om ten behoeve van die ouder het vaststellen van een omgangsregeling te verzoeken. Onderdeel 2.2 klaagt dat het hof zijn beschikking onvoldoende (begrijpelijk) heeft gemotiveerd, voorzover het hof met rov. 4.2 bedoelt te zeggen dat in dit concrete geval de omstandigheid dat de moeder het gezag over het kind uitoefent haar voldoende mogelijkheden geeft tot omgang met het kind. Het onderdeel betoogt dat het hof de stelling van de moeder dat haar omgang met het kind door de vader wordt gefrustreerd, ten onrechte niet heeft onderzocht. De onderdelen 3 en 4 houden in dat het hof ten onrechte is voorbijgegaan aan het beroep van de moeder op art. 8 EVRM Pro.
3.3.2 Deze onderdelen, die zich lenen voor gezamenlijke behandeling, strekken ten betoge dat (ook) in het geval dat één ouder met het gezag is belast, op verzoek en ten behoeve van die ouder door de rechter een omgangsregeling kan worden vastgesteld. De onderdelen zijn terecht voorgesteld.
Art. 1:377a lid 1 BW bepaalt dat het kind en de niet met het gezag belaste ouder recht hebben op omgang met elkaar. Hieruit kan niet worden afgeleid dat de wet de met het gezag belaste ouder géén recht toekent op omgang met zijn kind. Zoals blijkt uit de memorie van toelichting met betrekking tot art. 1:377a BW, als geciteerd in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.1, achtte de wetgever het niet nodig expliciet te bepalen dat de ouder en het kind waarover hij het gezag uitoefent recht hebben op omgang met elkaar, nu het zijn van ouder en het uitoefenen van het gezag vanzelfsprekend de bevoegdheid tot omgang inhouden.
Blijkens art. 1:377a lid 2, art. 1:377f en art. 1:377h BW brengt het recht op omgang in beginsel tevens mee het recht om door de rechter een omgangsregeling te doen vaststellen. Dat geldt ook voor de ouder die met het gezag is belast. De omstandigheid dat die ouder in beginsel ook het verdergaande recht heeft op afgifte van het kind (art. 812 Rv Pro.), staat daaraan niet in de weg.
De moeder had derhalve in haar verzoek moeten worden ontvangen.
3.4 Onderdeel 5 behoeft geen behandeling
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van het gerechtshof te Amsterdam van 2 september 2004;
verwijst het geding naar het gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren H.A.M. Aaftink, A.M.J. van Buchem-Spapens, J.C. van Oven en W.A.M. van Schendel, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 24 juni 2005.