ECLI:NL:HR:2005:AT2622
Hoge Raad
- Cassatie
- H.A.M. Aaftink
- D.H. Beukenhorst
- O. de Savornin Lohman
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt niet-ontvankelijkheid cassatieberoep tegen tussenarrest in civiele procedure
Eiser, handelend onder de naam aannemingsbedrijf, had verweerster gedagvaard voor de kantonrechter met een vordering tot betaling van een geldbedrag. Na verstekvonnis en verzet volgde een tussenvonnis waarbij een comparitie werd gelast. Tegen dit tussenvonnis stelde eiser hoger beroep in, maar het gerechtshof verklaarde hem niet-ontvankelijk.
Eiser stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof. De Hoge Raad oordeelde dat het bestreden arrest een tussenarrest betreft dat niet definitief beslist over het geschil. Op grond van art. 401a lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan cassatie tegen een tussenarrest slechts worden ingesteld gelijktijdig met het eindarrest, tenzij het hof anders bepaalt of een uitzondering van toepassing is.
Omdat geen uitzondering van toepassing was en het hof geen andersluidende beslissing had genomen, verklaarde de Hoge Raad het cassatieberoep van eiser niet-ontvankelijk. De Hoge Raad veroordeelde eiser in de kosten van het geding in cassatie, welke nihil werden begroot aan de zijde van verweerster.
Uitkomst: Hoge Raad verklaart cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van ontvankelijkheid bij tussenvonnis.