ECLI:NL:HR:2005:AT2748

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 mei 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02913/04
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • C.J.G. Bleichrodt
  • J.P. Balkema
  • A.J.A. van Dorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 361a SvArt. 407 SvArt. 2 OpiumwetArt. 8 Wegenverkeerswet 1994Art. 9 Wegenverkeerswet 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beperking van het hoger beroep bij vordering tot tenuitvoerlegging strafvonnis

In deze strafzaak heeft het Gerechtshof Amsterdam het hoger beroep behandeld tegen een verstekvonnis van de politierechter. De verdachte werd veroordeeld voor opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet en overtredingen van de Wegenverkeerswet 1994, met een gevangenisstraf en ontzegging van rijbevoegdheid. Tevens werd de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf gelast.

De verdachte stelde in cassatie dat het hoger beroep beperkt mocht worden tot het strafbare feit waarop de vordering tot tenuitvoerlegging was gebaseerd, waardoor het oordeel over de tenuitvoerlegging buiten beschouwing zou blijven. De Hoge Raad verwierp deze opvatting en oordeelde dat het hoger beroep ook het oordeel over de vordering tot tenuitvoerlegging moet omvatten.

De Hoge Raad vond geen gronden om het arrest van het hof te vernietigen en verwierp het cassatieberoep. Daarmee bevestigde de Hoge Raad dat het hoger beroep integraal moet zijn, inclusief de beoordeling van de tenuitvoerleggingsvordering.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.

Uitspraak

17 mei 2005
Strafkamer
nr. 02913/04
AGJ/AG
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 11 mei 2004, nummer 23/002591-02, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren in [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedatum] 1967, wonende te [woonplaats], ten tijde van de bestreden uitspraak uit anderen hoofde gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Midden Holland, locatie Haarlem.
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een bij verstek gewezen vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Amsterdam van 29 januari 2002 - de verdachte ter zake van 1. "opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid aanhef en onder C, van de Opiumwet gegeven verbod", 2. "overtreding van artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994" en 3. "overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994" veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met ten aanzien van feit 2 tot ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van negen maanden. Voorts is de tenuitvoerlegging gelast van een voorwaardelijk opgelegde straf.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. S.M. Krans, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
3. Beoordeling van het eerste middel
3.1. Het middel komt op tegen het oordeel van het Hof dat het "de beslissing van de politierechter ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging mede in het appel van de verdachte betrokken acht".
3.2. Het middel steunt op de opvatting dat het strafbare feit naar aanleiding waarvan een vordering tot tenuitvoerlegging is ingediend waarover op de wijze als voorzien in art. 361a Sv is beslist, voor de toepassing van art. 407 Sv Pro moet worden aangemerkt als "een gevoegd strafbaar feit", zodat het hoger beroep mag worden beperkt tot het vonnis voorzover het dat strafbare feit betreft, in welk geval het vonnis voorzover betrekking hebbende op de vordering tenuitvoerlegging niet aan
het oordeel van de appèlrechter is onderworpen. Die opvatting is onjuist, zodat het middel faalt.
4. Beoordeling van het tweede en het derde middel
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 17 mei 2005.