ECLI:NL:HR:2005:AT3215
Hoge Raad
- Herziening
- C.J.G. Bleichrodt
- A.J.A. van Dorst
- H.A.G. van Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid van herzieningsverzoek wegens ontbreken nieuwe omstandigheden
De zaak betreft een verzoek tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Politierechter te 's-Gravenhage, waarbij de aanvrager was veroordeeld voor diefstal door twee of meer verenigde personen. De aanvrage tot herziening werd ingediend op grond van vermeende nieuwe omstandigheden.
De Hoge Raad beoordeelde de aanvraag aan de hand van artikel 457 en Pro 459 van het Wetboek van Strafvordering, die voorschrijven dat herziening slechts mogelijk is bij nieuwe, met bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden die het ernstig vermoeden wekken dat het onderzoek tot vrijspraak, ontslag van rechtsvervolging of een minder zware straf zou hebben geleid.
De aangevoerde omstandigheid betrof een verslechtering van de financiële positie van de aanvrager, hetgeen niet kwalificeert als een nieuwe omstandigheid in de zin van artikel 457 Sv Pro. Daarom kon de aanvrage niet worden ontvangen en verklaarde de Hoge Raad het verzoek niet-ontvankelijk.
Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren van de Hoge Raad en uitgesproken op 29 maart 2005.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het verzoek tot herziening niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van nieuwe omstandigheden.