ECLI:NL:HR:2005:AT3958

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 april 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
38768
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.G. Pos
  • L. Monné
  • P.J. van Amersfoort
  • A.R. Leemreis
  • C.J.J. van Maanen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 lid 1 Wet op de vermogensbelasting 1964Art. 10 Wet op de vermogensbelasting 1964
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt uitspraak Hof over waardering Legio-Leasecontracten voor Huursubsidiewet

Belanghebbende had bezwaar gemaakt tegen een beschikking tot vaststelling van het rekenvermogen voor de Huursubsidiewet over het subsidiejaar 1 juli 2000 tot en met 30 juni 2001. De Inspecteur handhaafde de beschikking na bezwaar, waarna belanghebbende in beroep ging bij het Hof. Het Hof verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de beursgenoteerde aandelen onder de lease-overeenkomsten niet voor rekening van belanghebbende verkocht konden worden, waardoor de waardering volgens artikel 10 van Pro de Wet op de vermogensbelasting 1964 niet rechtstreeks van toepassing was.

Het Hof stelde vast dat belanghebbende de economische eigendom van de aandelen had en sloot aan bij de beurswaarde verminderd met resterende verplichtingen uit de leasecontracten. Belanghebbende stelde in cassatie dat ook rekening gehouden moest worden met kosten verbonden aan ontbinding of overdracht van de contracten. De Hoge Raad oordeelde dat het Hof ten onrechte deze kosten niet had meegenomen in de waardering.

De Hoge Raad verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het arrest van het Hof en verwees de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling met inachtneming van de uitspraak. Tevens werd de Staat veroordeeld tot vergoeding van de kosten van het cassatiegeding en het griffierecht aan belanghebbende.

De zaak betreft de juiste waarderingsmethode van leasecontracten met onderliggende aandelen in het kader van de Huursubsidiewet en benadrukt dat niet alleen de resterende verplichtingen, maar ook de contractuele kosten bij ontbinding of overdracht in aanmerking moeten worden genomen.

Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest Hof en verwijst zaak terug met instructies over waardering en kostenvergoeding.

Uitspraak

Nr. 38.768
15 april 2005
MvA
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 10 juli 2002, nr. BK-01/01946, betreffende na te melden beschikking vaststelling rekenvermogen voor de Huursubsidiewet.
1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof
Ten aanzien van belanghebbende is voor het subsidiejaar 1 juli 2000 tot en met 30 juni 2001 een beschikking tot vaststelling van het rekenvermogen voor de Huursubsidiewet vastgesteld, waarbij het rekenvermogen op ƒ 44.950 is gesteld, welke beschikking, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr. J.C.J. Smallenbroek, advocaat te Leiderdorp.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. Het Hof heeft de door belanghebbende met Legio-Lease B.V. (hierna: Legio-Lease) gesloten lease-overeenkomsten kennelijk aldus uitgelegd dat de onderliggende aandelen op de peildatum niet voor rekening van belanghebbende verkocht konden worden. Daaruit heeft het Hof met juistheid laten volgen dat de in artikel 10 van Pro de Wet op de vermogensbelasting 1964 (hierna: de Wet) voorgeschreven wijze van waardering van beursgenoteerde aandelen rechtstreekse toepassing mist.
3.2. Vervolgens heeft het Hof overwogen dat belanghebbende reeds ten tijde van het aangaan van de lease-overeenkomsten de economische eigendom van de onderliggende aandelen had verworven, en daarin aanleiding gevonden om voor de waardering van de rechten die belanghebbende op de onderliggende aandelen kan doen gelden, "aan te sluiten bij" de waarde die ingevolge het bepaalde in artikel 10 van Pro de Wet aan de ter beurze genoteerde aandelen moet worden toegekend. Het Hof heeft deze "aansluiting" aldus uitgewerkt dat het is uitgegaan van de volle beurswaarde van de onderliggende aandelen, en daarop de resterende verplichtingen uit hoofde van de lease-overeenkomsten in mindering heeft gebracht.
3.3. De klachten strekken ten betoge dat het Hof aldus heeft miskend dat - zoals belanghebbende reeds voor het Hof had aangevoerd - mede rekening moet worden gehouden met de op het te gelde maken van de contracten vallende kosten.
3.4. Voor het Hof heeft belanghebbende het standpunt ingenomen dat voor de bepaling van de waarde in het economisch verkeer (1) met betrekking tot het contract "Winstverdriedubbelaar" uitgegaan dient te worden van de mogelijkheid van ontbinding (op de peildatum) van dat contract; en (2) met betrekking tot het contract "Beleggen met korting" moet worden uitgegaan van de mogelijkheid van overdracht (op de peildatum) van dat contract aan een derde. Het Hof is - in cassatie onbestreden - ervan uitgegaan dat belanghebbende inderdaad die beide mogelijkheden had.
3.5. De primaire klacht slaagt. Ook al is er in de onderhavige zaak aanleiding om bij de toepassing van artikel 9, lid 1, van de Wet, "aansluiting" te zoeken bij het bepaalde in artikel 10 van Pro de Wet, dan nog dient de beurswaarde (op de peildatum) van de onder die contracten liggende aandelen niet slechts te worden verminderd met de waarde van de resterende verplichtingen die belanghebbende op de peildatum uit die contracten had (waartoe het Hof zich heeft beperkt), maar tevens met de contractueel aan Legio-Lease verschuldigde kosten die voor belanghebbende zouden voortvloeien uit ontbinding van het contract "Winstverdriedubbelaar", respectievelijk uit overdracht van het contract "Beleggen met korting", telkens op de peildatum. 's Hofs andersluidende, in 6.7 van zijn uitspraak neergelegde oordeel is derhalve onjuist.
3.6. De bestreden uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. De subsidiaire klacht behoeft geen behandeling.
4. Proceskosten
De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding naar het gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 45,70, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1288 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.G. Pos als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, P.J. van Amersfoort, A.R. Leemreis en C.J.J. van Maanen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2005.