ECLI:NL:HR:2005:AT4320
Hoge Raad
- Herziening
- F.H. Koster
- G.J.M. Corstens
- J.W. Ilsink
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid van herzieningsverzoek wegens ontbreken nieuwe bewijsmiddelen
De aanvrager heeft bij de Hoge Raad een verzoek tot herziening ingediend van een eerder door de Rechtbank Groningen gewezen vonnis waarin hij werd veroordeeld voor medeplegen van een opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet en het bezit van een vuurwapen. De Hoge Raad beoordeelde het verzoek aan de hand van de wettelijke criteria voor herziening, zoals neergelegd in artikel 457 en Pro 459 van het Wetboek van Strafvordering.
De Hoge Raad stelde vast dat het verzoek geen nieuwe omstandigheden bevatte die tijdens de eerdere terechtzitting niet bekend waren en die het ernstig vermoeden konden wekken dat het onderzoek tot een vrijspraak, ontslag van rechtsvervolging, niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie of toepassing van een minder zware strafbepaling zou hebben geleid. Verder ontbraken de vereiste bewijsmiddelen die deze nieuwe omstandigheden zouden ondersteunen.
Op grond hiervan oordeelde de Hoge Raad dat het verzoek niet voldeed aan de vereisten voor ontvankelijkheid en verklaarde het verzoek tot herziening niet-ontvankelijk. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren op 12 april 2005.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van nieuwe relevante bewijsmiddelen.