ECLI:NL:HR:2005:AT4421

Hoge Raad

Datum uitspraak
31 mei 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03355/04 B en 03379/04 B
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • C.J.G. Bleichrodt
  • J.P. Balkema
  • A.J.A. Dorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 552m SvArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling machtiging voor rechtshulpverzoek op grond van art. 552m Sv

In deze zaak stond centraal de vraag aan wie de machtiging bedoeld in art. 552m, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering moet worden gegeven bij een rechtshulpverzoek. De Rechtbank te Assen had verlof verleend tot het ter beschikking stellen van inbeslaggenomen stukken aan de Officier van Justitie, onder de voorwaarde dat de stukken na gebruik worden teruggezonden.

De verdediging stelde dat het rechtshulpverzoek zonder de vereiste machtiging aan de Officier van Justitie was uitgevoerd, omdat de machtiging was gericht aan een andere functionaris. De rechtbank oordeelde echter dat de wet geen specifieke instantie voorschrijft aan wie de machtiging moet worden gegeven, en dat de ministeriële machtiging aan een andere functionaris dan de OvJ voldoende is.

De Hoge Raad bevestigde deze uitleg en verwierp het cassatieberoep. De Hoge Raad stelde dat art. 552m Sv vereist dat rechtshulp alleen wordt verleend krachtens een ministeriële machtiging, maar dat de wet niet bepaalt aan wie deze machtiging moet worden verstrekt. De rechtbank heeft daarmee geen onjuiste rechtsopvatting gehuldigd.

De Hoge Raad vond geen aanleiding tot vernietiging en wees het beroep af. Hiermee is de rechtspraak verduidelijkt omtrent de procedurele vereisten voor het verlenen van rechtshulp op grond van art. 552m Sv.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de ministeriële machtiging voor rechtshulp niet aan de officier van justitie hoeft te zijn gegeven.

Uitspraak

31 mei 2005
Strafkamer
nrs. 03355/04 B en 03379/04 B
IV/ABG
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank te Assen van 1 oktober 2004, nrs RK 04/141 en RK 04/142 inzake het verlenen van het verlof als bedoeld in artikel 552 p, tweede lid, Sv, ingesteld door:
1. [betrokkene 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971, wonende te [woonplaats],
en
2. [betrokkene 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden beschikking
De Rechtbank heeft verlof verleend tot het ter beschikking stellen van inbeslaggenomen stukken van overtuiging aan de Officier van Justitie onder het voorbehoud dat bij afgifte aan de buitenlandse autoriteiten wordt bedongen dat de stukken worden teruggezonden zodra daarvan het voor de strafvordering nodige gebruik is gemaakt.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkenen. Namens hen heeft mr. Chr. Koers, advocaat te Peize, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de beroepen zal verwerpen.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het middel komt onder meer op tegen de verwerping door de Rechtbank van het verweer dat gevolg is gegeven aan het rechtshulpverzoek zonder de te dezen in verband met het fiscale karakter van een gedeelte van de feiten ter zake waarvan rechtshulp is verzocht vereiste machtiging als bedoeld in art. 552m, derde lid, Sv.
3.2. De bestreden beschikking houdt ten aanzien van het in het middel bedoelde verweer het volgende in:
"De raadsman heeft (...) aangevoerd dat mevrouw mr. C.C. Westerling-Diderich is gemachtigd om aan het rechtshulpverzoek gevolg te geven. Nu niet blijkt van enige machtiging gericht aan de officier van justitie moet het ervoor worden gehouden dat gevolg is gegeven aan het rechtshulpverzoek zonder de vereiste machtiging. Het verzoek tot afgifte dient daarom te worden afgewezen, (...).
De rechtbank overweegt (...) het volgende.
De machtiging is inderdaad gericht aan mw. Westerling-Diderich van het Internationaal Rechtshulp Centrum Noord te Assen en niet aan de (hoofd)officier van justitie. Artikel 552m Sv., dat hier van toepassing is, verplicht tot ministeriële inmenging. Wil rechtshulp kunnen worden verleend, dan moet de minister van Justitie daartoe een machtiging verstrekken. Als regel wordt de (hoofd)officier van justitie gemachtigd (vgl. ARRS 20 december 1976, AB 1979, 70). Artikel 552m, derde lid, Sv. noemt echter geen instantie aan wie de machtiging moet worden verstrekt. Het bepaalt slechts dat aan rechtshulpverzoeken niet wordt voldaan dan krachtens machtiging van de Minister van Justitie. Aan dit bepaalde is voldaan. Daarmee is de rechter-commissaris gemachtigd aan het verzoek van de Duitse autoriteiten het nodige gevolg te geven. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee voldaan aan de vereisten die Boek IV, titel X Sv. stelt aan het verlenen van rechtshulp."
3.3. Art. 552m, derde lid, Sv houdt in dat aan de in die bepaling genoemde rechtshulpverzoeken niet wordt voldaan dan krachtens machtiging van de Minister van Justitie, welke machtiging alleen kan worden gegeven voor verzoeken die op een verdrag zijn gegrond en slechts na overleg met de Minister van Financiën. Genoemde bepaling noch enige andere wetsbepaling houdt in aan wie die machtiging moet worden gegeven. Daarom kan de aan het verweer en het middel ten grondslag liggende opvatting dat aan een rechtshulpverzoek als het onderhavige uitsluitend gevolg mag worden gegeven indien de machtiging aan de officier van justitie is verstrekt, niet als juist worden aanvaard. Gelet daarop en in aanmerking genomen hetgeen namens de betrokkenen is aangevoerd, getuigt de verwerping door de Rechtbank van het gevoerde verweer niet van een onjuiste rechtsopvatting. In zoverre faalt het middel.
3.4. Ook voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden beschikking ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moeten de beroepen worden verworpen.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt de beroepen.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en A.J.A. Dorst, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, in raadkamer en uitgesproken ter openbare behandeling van 31 mei 2005.