ECLI:NL:HR:2005:AT4421
Hoge Raad
- Cassatie
- C.J.G. Bleichrodt
- J.P. Balkema
- A.J.A. Dorst
- Rechtspraak.nl
Beoordeling machtiging voor rechtshulpverzoek op grond van art. 552m Sv
In deze zaak stond centraal de vraag aan wie de machtiging bedoeld in art. 552m, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering moet worden gegeven bij een rechtshulpverzoek. De Rechtbank te Assen had verlof verleend tot het ter beschikking stellen van inbeslaggenomen stukken aan de Officier van Justitie, onder de voorwaarde dat de stukken na gebruik worden teruggezonden.
De verdediging stelde dat het rechtshulpverzoek zonder de vereiste machtiging aan de Officier van Justitie was uitgevoerd, omdat de machtiging was gericht aan een andere functionaris. De rechtbank oordeelde echter dat de wet geen specifieke instantie voorschrijft aan wie de machtiging moet worden gegeven, en dat de ministeriële machtiging aan een andere functionaris dan de OvJ voldoende is.
De Hoge Raad bevestigde deze uitleg en verwierp het cassatieberoep. De Hoge Raad stelde dat art. 552m Sv vereist dat rechtshulp alleen wordt verleend krachtens een ministeriële machtiging, maar dat de wet niet bepaalt aan wie deze machtiging moet worden verstrekt. De rechtbank heeft daarmee geen onjuiste rechtsopvatting gehuldigd.
De Hoge Raad vond geen aanleiding tot vernietiging en wees het beroep af. Hiermee is de rechtspraak verduidelijkt omtrent de procedurele vereisten voor het verlenen van rechtshulp op grond van art. 552m Sv.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de ministeriële machtiging voor rechtshulp niet aan de officier van justitie hoeft te zijn gegeven.