ECLI:NL:HR:2005:AT5487

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 november 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
40056
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • F.W.G.M. van Brunschot
  • P. Lourens
  • C.B. Bavinck
  • J.W. van den Berge
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 lid 1 Algemene wet inzake rijksbelastingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt geen toerekening verzuim tussen belastingdienstonderdelen bij navorderingsaanslag

In deze zaak is aan belanghebbende voor het jaar 1996 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd met een belastbaar inkomen van ƒ 109.884. Later is een navorderingsaanslag opgelegd met een belastbaar inkomen van ƒ 781.884, welke na bezwaar door de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende ging in beroep bij het Hof, dat het beroep ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde belanghebbende beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad behandelde twee klachten: de eerste betrof de vraag of de Inspecteur zich bij het opleggen van de oorspronkelijke aanslag bewust had kunnen zijn van de feiten die tot de navorderingsaanslag leidden. Het Hof had dit ontkennend beantwoord, wat door de Hoge Raad werd bevestigd. De tweede klacht betrof de toerekening van een verzuim binnen de belastingdienst, namelijk het niet doorzenden van een kopie van een verkoopakte door de eenheid te S aan de Inspecteur te P. De Hoge Raad volgde de conclusie van de Advocaat-Generaal dat dit verzuim niet aan de Inspecteur kan worden toegerekend.

De Hoge Raad oordeelde dat geen gronden aanwezig waren voor een veroordeling in de proceskosten en verklaarde het beroep ongegrond. Hiermee blijft de navorderingsaanslag in stand en wordt de aansprakelijkheid voor het verzuim binnen de belastingdienst beperkt tot de betreffende eenheid.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat het verzuim binnen de belastingdienst niet aan de Inspecteur kan worden toegerekend.

Uitspraak

Nr. 40.056
11 november 2005
EC
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 15 mei 2003, nr. P01/2878, betreffende de na te melden navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Navorderingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1996 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 109.884. Vervolgens is hem over dat jaar een navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 781.884, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 5 april 2005 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. Het beroepschrift bevat twee klachten. De eerste klacht houdt in dat het Hof geen oordeel heeft gegeven over de vraag of de Inspecteur zich op het moment dat hij de (primitieve) aanslag oplegde, redelijkerwijs bewust had kunnen zijn van het feit dat hem nadien aanleiding gaf tot het opleggen van de navorderingsaanslag.
3.2. Deze klacht mist feitelijke grondslag; in de overwegingen 5.6 en 5.7 van het Hof ligt het oordeel besloten dat het Hof de vorenbedoelde vraag ontkennend heeft beantwoord. De klacht faalt derhalve.
3.3. De tweede klacht bestrijdt 's Hofs oordeel dat, indien de eenheid van de belastingdienst te S een verzuim heeft begaan door na te laten om aan de eenheid van de Inspecteur (de eenheid van de belastingdienst te P) een kopie toe te zenden van een akte die in S werd geregistreerd, dat verzuim niet kan worden toegerekend aan de Inspecteur. De klacht faalt op de grond vermeld in de onderdelen 6.2 en 5.25 van de conclusie van de Advocaat-Generaal.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, P. Lourens, C.B. Bavinck en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 11 november 2005.