ECLI:NL:HR:2005:AT5487
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geen toerekening verzuim tussen belastingdienstonderdelen bij navorderingsaanslag
In deze zaak is aan belanghebbende voor het jaar 1996 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd met een belastbaar inkomen van ƒ 109.884. Later is een navorderingsaanslag opgelegd met een belastbaar inkomen van ƒ 781.884, welke na bezwaar door de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende ging in beroep bij het Hof, dat het beroep ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde belanghebbende beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad behandelde twee klachten: de eerste betrof de vraag of de Inspecteur zich bij het opleggen van de oorspronkelijke aanslag bewust had kunnen zijn van de feiten die tot de navorderingsaanslag leidden. Het Hof had dit ontkennend beantwoord, wat door de Hoge Raad werd bevestigd. De tweede klacht betrof de toerekening van een verzuim binnen de belastingdienst, namelijk het niet doorzenden van een kopie van een verkoopakte door de eenheid te S aan de Inspecteur te P. De Hoge Raad volgde de conclusie van de Advocaat-Generaal dat dit verzuim niet aan de Inspecteur kan worden toegerekend.
De Hoge Raad oordeelde dat geen gronden aanwezig waren voor een veroordeling in de proceskosten en verklaarde het beroep ongegrond. Hiermee blijft de navorderingsaanslag in stand en wordt de aansprakelijkheid voor het verzuim binnen de belastingdienst beperkt tot de betreffende eenheid.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat het verzuim binnen de belastingdienst niet aan de Inspecteur kan worden toegerekend.