Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2005:AT5488

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 oktober 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
36740
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • D.G. van Vliet
  • P. Lourens
  • C.B. Bavinck
  • J.W. van den Berge
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28ter Zesde richtlijnArt. 28ter A Zesde richtlijnArt. 28ter B Zesde richtlijnArt. 28ter E Zesde richtlijnArt. 17a(1) Wet OB’68
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad over plaats van dienst bij bemiddeling intracommunautair handelsverkeer

Deze zaak betreft een cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën tegen een uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage over een naheffingsaanslag omzetbelasting voor de periode mei 1996 tot en met december 1997.

De kern van het geschil betreft de plaats van dienst bij bemiddeling van intracommunautaire leveringen van jachten die in opdracht en voor rekening van kopers van Frankrijk naar Nederland werden overgebracht. Het Hof van Justitie heeft in een prejudiciële uitspraak verduidelijkt dat artikel 28 ter Pro, E, lid 3, van de Zesde richtlijn ook ziet op diensten van tussenpersonen waarbij de ontvanger geen ondernemer of niet-belastingplichtige rechtspersoon is.

De Hoge Raad volgt deze uitleg en oordeelt dat de plaats van de bemiddelingsdienst moet worden bepaald aan de hand van de plaats van intracommunautaire verwerving van de goederen, hier Nederland. Het arrest van het hof wordt vernietigd en het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard. Er worden geen proceskosten aan de partijen opgelegd.

Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en het arrest van het hof wordt vernietigd.

Uitspraak

Nr. 36.740
7 oktober 2005
whk
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 3 november 2000, nr. BK-98/05349, betreffende de over het tijdvak 1 mei 1996 tot en met 31 december 1997 aan D. Lipjes te Terneuzen opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting.
1. Loop van het geding
Voor een overzicht van de loop van het geding tot aan het door de Hoge Raad in dit geding gewezen arrest van 14 februari 2003, nr. 36740, BNB 2003/176, wordt verwezen naar dat arrest.
Bij arrest van 27 mei 2004, C-68/03, heeft het Hof van Justitie, uitspraak doende op het verzoek van de Hoge Raad om een prejudiciële beslissing in deze zaak, voor recht verklaard:
"1) Artikel 28 ter Pro, E, lid 3, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, in de versie van richtlijn 91/680/EEG van de Raad van 16 december 1991 tot aanvulling van het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde en tot wijziging, met het oog op de afschaffing van de fiscale grenzen, van richtlijn 77/388, moet niet aldus worden uitgelegd dat het slechts ziet op diensten van tussenpersonen waarbij de ontvanger van de dienst ter zake van de belasting over de toegevoegde waarde een belastingplichtige of een niet-belastingplichtige rechtspersoon is.
2) Wanneer een handeling van een tussenpersoon onder artikel 28 ter Pro, E, lid 3, van de Zesde richtlijn (77/388), zoals gewijzigd, valt, dient voor de vaststelling van de plaats van verrichting van de handelingen die aan de basis liggen van de bemiddelingsprestaties, te worden aangeknoopt bij de bepalingen van artikel 28 ter Pro, A en B, van deze richtlijn."
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op dit arrest. De Staatssecretaris van Financiën heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt.
De Advocaat-Generaal W. de Wit heeft op 5 april 2005 nader geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van 's Hofs uitspraak en tot afdoening van de zaak door de Hoge Raad door handhaving van de aanslag.
2. Beoordeling van het middel
2.1. Gelet op de hiervóór vermelde verklaring voor recht van het Hof van Justitie ziet artikel 28 ter Pro, E, lid 3, van de Zesde richtlijn mede op diensten van tussenpersonen waarbij, zoals in de onderhavige gevallen, de ontvanger van de dienst niet is een ondernemer of een niet-belastingplichtige rechtspersoon. Voor artikel 6a, lid 3, letter c, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet), welke bepaling uitvoering geeft aan eerstgenoemde bepaling, heeft hetzelfde te gelden. 's Hofs oordeel op dit punt is derhalve juist. Het middel faalt in zoverre.
2.2. De stukken van het geding - in het bijzonder de zich in het dossier bevindende brief van 7 oktober 1998 van belanghebbende aan de Belastingdienst - laten geen andere conclusie toe dan dat de twee in geding zijnde bemiddelingsdiensten betrekking hebben op jachten die in verband met de aankoop in opdracht en voor rekening van de kopers van Frankrijk naar Nederland zijn overgebracht. Gelet op de verklaring voor recht dient in een zodanig geval voor het bepalen van de plaats van de bemiddelingsdienst te worden aangeknoopt bij de plaats die ingevolge artikel 28 ter Pro, A, van de Zesde richtlijn als plaats van de intracommunautaire verwerving van de desbetreffende goederen heeft te gelden. Artikel 6a, lid 3, letter c, van de Wet dient dienovereenkomstig te worden uitgelegd. Toegepast op de voormelde feiten van het onderhavige geval volgt uit evengenoemd artikel 28 ter Pro, A, lid 1, dat de plaats van intracommunautaire verwerving van de jachten in Nederland lag. Uit het vorenstaande volgt dat de in geding zijnde bemiddelingsdiensten moeten worden geacht in Nederland te hebben plaatsgevonden. 's Hofs andersluidende oordeel wordt door het middel derhalve terecht bestreden.
2.3. Gelet op het hiervóór overwogene kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
3. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, en
verklaart het bij het Hof ingestelde beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, P. Lourens, C.B. Bavinck en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2005.