ECLI:NL:HR:2005:AT5722
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- G.J.M. Corstens
- J.P. Balkema
- Rechtspraak.nl
Veroordeling moord en verbergen lijk na verstikking slachtoffer
In deze zaak stond verdachte terecht voor moord op het slachtoffer, gepleegd tussen 4 december 2001 en 27 januari 2002. Het hof Arnhem had verdachte veroordeeld tot twintig jaar gevangenisstraf wegens het met voorbedachte raad en kalm beraad beroven van het leven van het slachtoffer door verstikking of ander geweld, en het verbergen van het lijk met het oogmerk het feit of de doodsoorzaak te verhullen.
De Hoge Raad beoordeelde het cassatieberoep van verdachte, waarbij onder meer werd geklaagd dat de bewezenverklaring van alternatieve gedragingen onvoldoende door het bewijs werd gedragen. Het hof had uit het bewijsmateriaal afgeleid dat het slachtoffer door verstikking was overleden, maar ook dat de dood anderszins door geweld was veroorzaakt. Dit werd ondersteund door bloedsporen in de auto van verdachte en deskundigenverklaringen die ernstig mechanisch geweld uitsloten, maar schoppen of slaan tegen vitale lichaamsdelen als doodsoorzaak niet.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof de bewezenverklaring terecht had gegrond op het bewijsmateriaal en dat de klachten van verdachte niet tot cassatie konden leiden. Er waren geen gronden voor vernietiging van het arrest en het beroep werd verworpen. Het vonnis bevestigt de straf van twintig jaar gevangenisstraf en verbeurdverklaring zoals door het hof opgelegd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling tot twintig jaar gevangenisstraf voor moord en het verbergen van het lijk.