ECLI:NL:HR:2005:AT5722

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 juli 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02992/04
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • F.H. Koster
  • G.J.M. Corstens
  • J.P. Balkema
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 365a SvArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling moord en verbergen lijk na verstikking slachtoffer

In deze zaak stond verdachte terecht voor moord op het slachtoffer, gepleegd tussen 4 december 2001 en 27 januari 2002. Het hof Arnhem had verdachte veroordeeld tot twintig jaar gevangenisstraf wegens het met voorbedachte raad en kalm beraad beroven van het leven van het slachtoffer door verstikking of ander geweld, en het verbergen van het lijk met het oogmerk het feit of de doodsoorzaak te verhullen.

De Hoge Raad beoordeelde het cassatieberoep van verdachte, waarbij onder meer werd geklaagd dat de bewezenverklaring van alternatieve gedragingen onvoldoende door het bewijs werd gedragen. Het hof had uit het bewijsmateriaal afgeleid dat het slachtoffer door verstikking was overleden, maar ook dat de dood anderszins door geweld was veroorzaakt. Dit werd ondersteund door bloedsporen in de auto van verdachte en deskundigenverklaringen die ernstig mechanisch geweld uitsloten, maar schoppen of slaan tegen vitale lichaamsdelen als doodsoorzaak niet.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof de bewezenverklaring terecht had gegrond op het bewijsmateriaal en dat de klachten van verdachte niet tot cassatie konden leiden. Er waren geen gronden voor vernietiging van het arrest en het beroep werd verworpen. Het vonnis bevestigt de straf van twintig jaar gevangenisstraf en verbeurdverklaring zoals door het hof opgelegd.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling tot twintig jaar gevangenisstraf voor moord en het verbergen van het lijk.

Uitspraak

5 juli 2005
Strafkamer
nr. 02992/04
SG/IV
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 12 juli 2004, nummer 21/000873-03, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1945, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te Arnhem.
1. De bestreden uitspraak
1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Zutphen van 12 februari 2003 - de verdachte ter zake van 1 primair "moord" en 2. "het een lijk begraven, verbergen of wegmaken, met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen" veroordeeld tot twintig jaren gevangenisstraf met verbeurdverklaring zoals in het arrest omschreven.
1.2. Het verkorte arrest en de aanvulling daarop als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
2. Geding in cassatie
2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.
3. Beoordeling van het eerste middel
3.1. Het middel bevat onder meer de klacht dat de in de bewezenverklaring van feit 1 opgenomen alternatieve gedragingen van de verdachte die tot de dood van [het slachtoffer] zouden hebben geleid, onvoldoende steun vinden in de gebezigde bewijsmiddelen.
3.2. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:
"1. hij in de periode van 4 december 2001 tot en met 27 januari 2002 in Nederland opzettelijk en met voorbedachte raad [het slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte toen aldaar met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg die [slachtoffer] gewurgd of doen stikken of die [slachtoffer] (ter verstikking) in een bosperceel begraven, in elk geval bij die [slachtoffer] op enige wijze de ademhaling belemmerd of op die [slachtoffer] anderszins geweld toegepast, tengevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden."
3.3. Uit de gebezigde bewijsmiddelen heeft het Hof kunnen afleiden dat het slachtoffer [...] door verstikking om het leven moet zijn gekomen. Die bewijsmiddelen dragen ook de alternatief door het Hof bewezenverklaarde gevolgtrekking dat de dood anderszins door geweld is ingetreden. Immers zij houden de mogelijkheid in dat het in de auto van de verdachte aangetroffen bloedspoor afkomstig is van het slachtoffer en daar is terechtgekomen door op het slachtoffer uitgeoefend geweld zonder dat sprake is van "ernstig mechanisch geweld, zoals "schieten of steken met een mes". Die laatste mogelijkheid is immers door de tot bewijs gebezigde verklaring van de getuige-deskundige Visser uitgesloten. Het is een feit van algemene bekendheid dat door schoppen of slaan tegen vitale lichaamsdelen bloedingen kunnen ontstaan en zelfs de dood kan worden veroorzaakt. De door het Hof aangenomen mogelijkheid van veroorzaking van de dood door ander geweld dan belemmering van de ademhaling, wordt dus ook gedragen door het gebezigde bewijsmateriaal.
3.4. De klacht is tevergeefs voorgesteld.
3.5. De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beoordeling van de overige middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Slotsom
Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en J.P. Balkema, in bijzijn van de waarnemend griffier M.T.E. van Huut, en uitgesproken op 5 juli 2005.