ECLI:NL:HR:2005:AT5894
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt toerekening ondernemingswinst aan B.V. ondanks latere civielrechtelijke overdracht
In deze zaak ging het om een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1994 ten name van erflater. Na bezwaar en beroep bij het Hof werd de aanslag verminderd. De kern van het geschil betrof de vraag of de ondernemingswinst vanaf 1 januari 1994 aan de B.V. moest worden toegerekend op grond van een voorovereenkomst die op 31 augustus 1994 werd gesloten, waarbij de onderneming met terugwerkende kracht aan de B.V. werd toegerekend.
De Hoge Raad overwoog dat de inbreng in de B.V. ter uitvoering van de voorovereenkomst geschiedde en dat de winst vanaf 1 januari 1994 aan de B.V. moet worden toegerekend, ondanks dat de civielrechtelijke overdracht pas op 31 maart 1995 plaatsvond. Het middel dat dit zou verhinderen faalde.
Verder werd een middel verworpen dat het hof ten onrechte niet was ingegaan op het bezwaar dat belanghebbenden niet overeenkomstig de Awb waren gehoord. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht aan het gebrek was voorbijgegaan omdat belanghebbenden niet waren benadeeld, maar het hof had dit wel moeten motiveren.
De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en legde geen proceskostenveroordeling op. Hiermee werd het oordeel van het Hof bevestigd dat de aanslag terecht was verminderd en dat de winst toerekening aan de B.V. juist was.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de toerekening van de winst aan de B.V. vanaf 1 januari 1994.