ECLI:NL:HR:2005:AT5894

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 mei 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
39816
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • F.W.G.M. van Brunschot
  • P. Lourens
  • C.B. Bavinck
  • J.W. van den Berge
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:22 AwbArt. 6:24 AwbArt. 7:2 AwbArt. 18 Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt toerekening ondernemingswinst aan B.V. ondanks latere civielrechtelijke overdracht

In deze zaak ging het om een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1994 ten name van erflater. Na bezwaar en beroep bij het Hof werd de aanslag verminderd. De kern van het geschil betrof de vraag of de ondernemingswinst vanaf 1 januari 1994 aan de B.V. moest worden toegerekend op grond van een voorovereenkomst die op 31 augustus 1994 werd gesloten, waarbij de onderneming met terugwerkende kracht aan de B.V. werd toegerekend.

De Hoge Raad overwoog dat de inbreng in de B.V. ter uitvoering van de voorovereenkomst geschiedde en dat de winst vanaf 1 januari 1994 aan de B.V. moet worden toegerekend, ondanks dat de civielrechtelijke overdracht pas op 31 maart 1995 plaatsvond. Het middel dat dit zou verhinderen faalde.

Verder werd een middel verworpen dat het hof ten onrechte niet was ingegaan op het bezwaar dat belanghebbenden niet overeenkomstig de Awb waren gehoord. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht aan het gebrek was voorbijgegaan omdat belanghebbenden niet waren benadeeld, maar het hof had dit wel moeten motiveren.

De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en legde geen proceskostenveroordeling op. Hiermee werd het oordeel van het Hof bevestigd dat de aanslag terecht was verminderd en dat de winst toerekening aan de B.V. juist was.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de toerekening van de winst aan de B.V. vanaf 1 januari 1994.

Uitspraak

Nr. 39.816
20 mei 2005
RvS
gewezen op het beroep in cassatie van de erfgenamen van X, gewoond hebbende te Z, tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 27 mei 2003, nr. BK-00/02348, betreffende na te melden ten name van X vastgestelde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Ten name van X (hierna: erflater) is voor het jaar 1994 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen vastgesteld naar een belastbaar inkomen van ƒ 418.359, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 416.995.
De erven van erflater (hierna: belanghebbenden) zijn tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ 409.581. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbenden hebben tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de middelen
3.1.1. Middel I keert zich tegen 's Hofs oordeel dat door erflater in diens hoedanigheid van aandeelhouder bewust bedragen aan het vermogen van A B.V. (thans: B B.V.; hierna: de B.V.) zijn onttrokken.
3.1.2. Aangaande het middel overweegt de Hoge Raad als volgt.
Uit 's Hofs uitspraak en de stukken van het geding blijkt dat de inbreng in de B.V., op welke inbreng het in artikel 18 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 1964 bepaalde toepassing heeft gevonden, is geschied ter uitvoering van de op 31 augustus 1994 door erflater, zijn echtgenote en de B.V. gesloten zogenoemde voorovereenkomst. In die voorovereenkomst is vermeld dat de voorheen door C C.V. gedreven onderneming met terugwerkende kracht tot 1 januari 1994 moet worden geacht te worden gedreven voor rekening en risico van de B.V. Op 25 april 1995 zijn de door de Inspecteur voor de onderhavige in de voorovereenkomst beoogde zogenoemde geruisloze overgang vastgestelde voorwaarden door erflater en zijn echtgenote voor akkoord getekend. Een en ander brengt met zich dat de onderhavige ondernemingswinst vanaf 1 januari 1994 moet worden toegerekend aan de B.V. Daaraan doet niet af dat de desbetreffende wilsovereenstemming eerst op 31 augustus 1994 is totstandgekomen en evenmin dat de onderneming eerst op 31 maart 1995 in civielrechtelijke zin aan de B.V. is overgedragen. Voorzover het middel het tegendeel betoogt, faalt het mitsdien.
3.1.3. Ook voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3.2. Aangaande middel V, dat ten betoge strekt dat het Hof ten onrechte niet is ingegaan op de grief van belanghebbenden dat zij niet overeenkomstig de regels van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) zijn gehoord, overweegt de Hoge Raad als volgt.
Indien voor het hof wordt aangevoerd dat niet op de juiste wijze is gehoord op bezwaar, kan aan dat gebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb in de uitspraak worden voorbijgegaan als de belanghebbende niet is benadeeld, maar het hof moet dan wel motiveren waarom dat het geval is (vgl. HR 18 april 2003, nr. 37790, BNB 2003/267). Nu het Hof niet heeft aangegeven waarom het aan het gestelde gebrek voorbij is gegaan, is het middel terecht voorgesteld. Het middel kan echter niet tot cassatie leiden nu 's Hofs uitspraak en de stukken van het geding geen andere conclusie toelaten dan dat nadat het bezwaarschrift is ingediend diverse gesprekken hebben plaatsgevonden en dat belanghebbenden door het niet op de juiste wijze worden gehoord niet zijn benadeeld.
3.3. De middelen kunnen overigens evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, P. Lourens, C.B. Bavinck en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2005.