ECLI:NL:HR:2005:AT6061

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 augustus 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03356/04
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • F.H. Koster
  • J.P. Balkema
  • B.C. de Savornin Lohman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 lid 4 OpiumwetArt. 2 onder A OpiumwetArt. 2 eerste lid onder B OpiumwetArt. 365a tweede lid Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt bewezenverklaring cocaïnehandel wegens meer- en vaartverweer

De verdachte werd door het hof Arnhem veroordeeld voor het opzettelijk binnenbrengen en verder vervoeren van ongeveer 5600 gram cocaïne binnen Nederland. Het hof baseerde zijn oordeel op diverse bewijsmiddelen, waaronder telefoongesprekken en afleverhandelingen.

In cassatie stelde de verdachte het meer- en vaartverweer aan de orde, inhoudende dat het pakket met cocaïne ten tijde van de bewezenverklaarde handelingen reeds in beslag was genomen en dus geen cocaïne meer bevatte. Het hof liet dit verweer onbesproken, waardoor een wezenlijke mogelijkheid die strijdig is met de bewezenverklaring openbleef.

De Hoge Raad oordeelde dat de bewezenverklaring van het eerste feit niet voldoet aan de eis van motivering en vernietigde het arrest voor zover het het eerste feit en de strafoplegging betreft. De zaak is terugverwezen naar het hof Arnhem voor hernieuwde berechting. Het beroep werd voor het overige verworpen.

Uitkomst: Het arrest van het hof Arnhem wordt vernietigd voor het eerste bewezenverklaarde feit en de strafoplegging, met terugverwijzing voor hernieuwde berechting.

Uitspraak

23 augustus 2005
Strafkamer
nr. 03356/04
IV/IV
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 2 april 2004, nummer 21/005664-03, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren op Curaçao (Nederlandse Antillen) op [geboortedatum] 1978, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Almelo van 14 oktober 2003 - de verdachte ter zake van 1. "opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod" en 2. "opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd" veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met onttrekking aan het verkeer en teruggave van in beslag genomen voorwerpen, een en ander als in het arrest vermeld.
1.2. De aanvulling op het verkorte arrest als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G.A. Jansen, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het bestreden arrest zal vernietigen wat betreft het eerste bewezenverklaarde feit en ten aanzien van de strafoplegging, met verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
3. Beoordeling van het tweede middel
3.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof niet heeft beslist op een ter terechtzitting in hoger beroep met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde feit gevoerd bewijsverweer.
3.2. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:
"hij in of omstreeks de periode van 6 maart 2003 tot en met 2 april 2003 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of te Enschede, opzettelijk en tesamen en in vereniging met een of meer anderen, binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in art. 1 lid 4 van Pro de Opiumwet, ongeveer 5600 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij die wet behorende lijst I, (immers heeft hij, verdachte, toen daar zich (meermalen) gemeld op het afleveradres [a-straat 1] te [plaats B] zijn oude (woon)adres en (vervolgens) het "niet thuis bericht" opgehaald en vervolgens heeft/hebben hij en/of zijn mededader(s) gebeld naar de Nederlandse Pakket Dienst en in dat telefoongesprek gebruik gemaakt van de naam [betrokkene 1] en van de codes/bijzonderheden van het "niet thuis bericht" en een afspraak gemaakt voor het ophalen van het betreffende pakket, zijnde deze handelingen gericht op het verder vervoer, de aflevering en/of ontvangst van die (5600 gram) cocaïne)."
3.3. De aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 19 maart 2004 gehechte pleitnotitie van de raadsvrouwe van de verdachte houdt in dat deze aldaar onder meer heeft aangevoerd:
"Uit het dossier blijkt nog dat er ten tijde van de aanbieding geen cocaïne in het pakket zat. Op bladzijde 84 staat gerelateerd: Het pakket waarin de cocaïne had gezeten is vervolgens door de politieambtenaar weer meegenomen."
3.4. Nu het Hof de juistheid van dit met de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen niet strijdige verweer in het midden heeft gelaten, is de met de bewezenverklaring onverenigbare mogelijkheid opengebleven dat de cocaïne ten tijde van de bewezenverklaarde gedragingen reeds in beslag was genomen en dat het desbetreffende pakket ten tijde van de bewezenverklaarde - op het verdere vervoer, de aflevering en/of de ontvangst van die cocaïne gerichte - handelingen geen cocaïne meer bevatte (vgl. HR 17 maart 1998, NJ 1998, 515). De bewezenverklaring van feit 1 is dus niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
3.5. Het middel is derhalve terecht voorgesteld.
4. Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat de overige middelen geen bespreking behoeven en dat als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging;
Wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Arnhem opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;
Verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en B.C. de Savornin Lohman, in bijzijn van de waarnemend griffier M.T.E. van Huut, en uitgesproken op 23 augustus 2005.