ECLI:NL:HR:2005:AT6098
Hoge Raad
- Herziening
- F.H. Koster
- B.C. de Savornin Lohman
- J.W. Ilsink
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid van herzieningsverzoek wegens ontbreken nieuwe omstandigheden
De aanvrager werd door de Politierechter veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht weken wegens diefstal met braak. Vervolgens werd een verzoek tot herziening ingediend bij de Hoge Raad, stellende dat de aanvrager niet in de gelegenheid was gesteld zich te verdedigen omdat hij geen dagvaarding ontving, geen vervoer naar de terechtzitting was geregeld en hij niet werd bijgestaan door een advocaat.
De Hoge Raad beoordeelde het verzoek aan de hand van artikel 457 Sv Pro, dat vereist dat nieuwe, met bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden worden aangevoerd die het ernstig vermoeden wekken dat het onderzoek tot vrijspraak, ontslag van rechtsvervolging, niet-ontvankelijkheid of een lichtere straf had geleid.
De aangevoerde omstandigheden werden getoetst en geacht niet afzonderlijk of samen zodanig te zijn dat zij tot een andere uitkomst hadden kunnen leiden. Daarom werd het verzoek tot herziening niet-ontvankelijk verklaard.
Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren van de Hoge Raad op 17 mei 2005.
Uitkomst: Verzoek tot herziening niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van nieuwe omstandigheden.