ECLI:NL:HR:2005:AT6848

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 september 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R04/068HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt beroep in cassatie inzake kinderalimentatie na echtscheiding

De man verzocht bij de rechtbank echtscheiding van zijn vrouw en stelde nevenverzoeken, waaronder een verzoek tot kinderalimentatie. De rechtbank sprak de echtscheiding uit en stelde een gefaseerd kinderalimentatiebedrag vast, oplopend van €235 tot €325 per maand per kind.

Tegen deze beschikking ging de man in hoger beroep bij het hof te 's-Gravenhage, dat de beschikking vernietigde en de kinderalimentatie over een bepaalde periode op €325 per maand per kind vaststelde en vanaf 1 oktober 2003 op €300 per maand per kind. De vrouw stelde incidenteel hoger beroep in.

De man stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen het hofarrest. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van het cassatiemiddel niet tot cassatie konden leiden en wees het beroep af. De beslissing werd genomen door een kamer van drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken door de vice-president.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het hofarrest inzake kinderalimentatie.

Uitspraak

23 september 2005
Eerste Kamer
Rek.nr. R04/068HR
JMH/AT
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De man],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
[De vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. F.A.M. van Bree.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 13 mei 2002 gedateerd verzoekschrift heeft verzoeker tot cassatie - verder te noemen: de man - zich gewend tot de rechtbank te Rotterdam en verzocht echtscheiding, subsidiair scheiding van tafel en bed, tussen hem en verweerster in cassatie - verder te noemen: de vrouw - uit te spreken en daarnaast een aantal nevenverzoeken ingediend.
De vrouw heeft de nevenverzoeken van de man bestreden en - voor zover in cassatie nog van belang - zelfstandig verzocht te bepalen dat de man voor de twee der partijen kinderen een kinderalimentatie dient te betalen van € 325,-- per maand per kind.
De man heeft het verzoek betreffende de kinderalimentatie bestreden.
De rechtbank heeft bij beschikking van 31 maart 2003 echtscheiding tussen partijen uitgesproken en onder meer - uitvoerbaar bij voorraad - bepaald dat de man aan de vrouw met ingang van de dag dat de echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand een kinderalimentatie dient te betalen van € 235,-- per maand per kind, € 260,-- per maand per kind een jaar nadat deze beschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand en € 325,-- per maand per kind vanaf het moment dat de verdeling van de gemeenschap daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, doch niet voordat de beschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, telkens vermeerderd met iedere uitkering die hem op grond van geldende wetten of regelingen ten behoeve van de minderjarigen kan of zal worden verleend.
Tegen deze beschikking heeft de man hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. De vrouw heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
Bij beschikking van 25 februari 2004 heeft het hof in het principaal en incidenteel appel de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigd en, in zoverre opnieuw beschikkende, de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie over de periode 28 mei 2003 tot 1 oktober 2003 op € 325,-- per maand per kind bepaald en met ingang van 1 oktober 2003 € 300,-- per kind per maand.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vrouw heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal D.W.F. Verkade strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren D.H. Beukenhorst, als voorzitter, O. de Savornin Lohman en W.A.M. van Schendel, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 23 september 2005.