ECLI:NL:HR:2005:AT7301

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 juni 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02836/04 A
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 242 SrArt. 246 SrArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt beroep in cassatie wegens onvoldoende feitelijke omschrijving seksueel binnendringen

De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba, waarin hij werd veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf wegens meervoudige verkrachting en feitelijke aanranding van de eerbaarheid. Het hof had de verdachte vrijgesproken van een primair tenlastegelegd feit, maar hem veroordeeld voor subsidiaire feiten. Daarnaast werd een vordering van het slachtoffer gedeeltelijk toegewezen.

In cassatie werd onder meer geklaagd dat het tenlastegelegde onvoldoende feitelijk was omschreven, omdat niet was vermeld uit welke gedragingen het seksueel binnendringen bestond. De Hoge Raad oordeelde dat het begrip seksueel binnendringen voldoende feitelijke betekenis heeft en verwierp deze klacht.

De overige middelen konden niet tot cassatie leiden en behoefden geen nadere motivering. De Hoge Raad zag ook geen reden om ambtshalve tot vernietiging van het arrest over te gaan en verwierp het beroep. Hiermee bleef de veroordeling van zes jaar gevangenisstraf in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling tot zes jaar gevangenisstraf blijft in stand.

Uitspraak

28 juni 2005
Strafkamer
nr. 02836/04 A
EC/AG
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba van 27 april 2004, nummer 901.267/02, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren op Curaçao op [geboortedatum] 1955, ten tijde van het instellen van beroep in cassatie gedetineerd in het Huis van Bewaring op Curaçao.
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van het Gerecht in Eerste Aanleg op Curaçao van 3 juli 2003 - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 2 primair tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 1. en 2 subsidiair: "feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd" en 3. en 4. "verkrachting, meermalen gepleegd" veroordeeld tot zes jaren gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij [het slachtoffer] gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van NAF. 7.500,- en gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaard en [betrokkene 1] voor haar gehele vordering niet-ontvankelijk verklaard.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
3. Beoordeling van het eerste middel
3.1. Het middel klaagt dat het onder 4 tenlastegelegde onvoldoende feitelijk is omschreven omdat daarin niet is vermeld uit welke gedragingen het seksueel binnendringen heeft bestaan.
3.2. De klacht faalt omdat aan het begrip seksueel binnendringen voldoende feitelijke betekenis toekomt.
4. Beoordeling van de overige middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Slotsom
Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 28 juni 2005.