ECLI:NL:HR:2005:AT7639
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt hofuitspraak over navorderingsaanslag en vermomd dividend in inkomstenbelasting
Belanghebbende werd aanvankelijk aangeslagen voor een belastbaar inkomen van ƒ 53.098 in 1996, waarna een navorderingsaanslag werd opgelegd tot ƒ 361.446 met een belastingverhoging. Het hof had het beroep van belanghebbende gegrond verklaard en de navorderingsaanslag verminderd tot een belastbaar inkomen van ƒ 154.774 zonder verhoging.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte niet heeft onderzocht of de BV daadwerkelijk de beschikking had over de winst die zij volgens het hof aan haar aandeelhouders zou hebben uitgekeerd als vermomd dividend. Dit is een essentieel onderdeel voor de beoordeling van de navorderingsaanslag.
Verder heeft het hof terecht geoordeeld dat de Inspecteur niet voldeed aan de verplichting om de gronden van de belastingverhoging tijdig en in detail mede te delen, waardoor de verhoging werd vernietigd. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak naar het gerechtshof te 's-Gravenhage voor verdere behandeling met inachtneming van dit arrest.
De Staatssecretaris wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding en de Staat moet het griffierecht vergoeden dat belanghebbende verschuldigd was. Het voorwaardelijke incidentele beroep van belanghebbende behoeft geen behandeling omdat het beroep van de Staatssecretaris niet tot vernietiging leidt.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt hofuitspraak en verwijst zaak terug voor herbeoordeling met veroordeling van de Staat in proceskosten.