ECLI:NL:HR:2005:AT8182
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- C.B. Bavinck
- Rechtspraak.nl
Beperking cassatieberoep inzake intrekking S&O-verklaring niet in strijd met internationaal verdrag
De Minister van Economische Zaken trok op 27 augustus 2001 een aan belanghebbende afgegeven S&O-verklaring in en gaf een nieuwe verklaring af. Belanghebbende maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 18 december 2001 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde belanghebbende beroep in bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven, dat het beroep ongegrond verklaarde. Belanghebbende stelde daarop beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad beoordeelde of de beperking van het cassatieberoep ingevolge artikel 30, lid 4, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (Wet) in strijd is met artikel 26 van Pro het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR). De Hoge Raad stelde vast dat de rechtsgang voor S&O-verklaringen verschilt van die voor andere belastingplichtigen, maar dat belanghebbende daarmee niet ongelijk wordt behandeld ten opzichte van andere S&O-inhoudingsplichtigen.
Het middel dat de beperking van cassatieberoep in strijd zou zijn met het IVBPR faalt daarom. Een tweede middel werd eveneens verworpen zonder nadere motivering. De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en veroordeelde belanghebbende niet in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de beperking van cassatieberoep is niet in strijd met artikel 26 IVBPR.