ECLI:NL:HR:2005:AT8248
Hoge Raad
- Cassatie
- H.A.M. Aaftink
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- W.A.M. van Schendel
- P. Neleman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging hoofdverblijf minderjarig kind bij moeder na echtscheiding
De man verzocht de rechtbank Utrecht om echtscheiding uit te spreken en nevenvoorzieningen te treffen, waaronder bijdrage van de vrouw in kosten van verzorging en levensonderhoud. De vrouw verzocht zelfstandig dat het kind zijn dagelijks verblijf bij haar zou hebben, met een omgangsregeling voor de man en alimentatieverplichtingen.
De rechtbank sprak de echtscheiding uit en bepaalde dat het kind zijn gewone verblijfplaats bij de vrouw zou hebben, met een omgangsregeling voor de man. De man ging hiertegen in hoger beroep bij het hof Amsterdam, dat de beschikking van de rechtbank bekrachtigde.
De man stelde beroep in cassatie in tegen het hofbesluit. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van de man niet leiden tot cassatie en dat het hof terecht het deskundigenbericht en de beleidsvrijheid van de feitenrechter heeft gerespecteerd. Het beroep werd verworpen en de beschikking van het hof bleef in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de man wordt verworpen en het hoofdverblijf van het kind blijft bij de moeder.