ECLI:NL:HR:2005:AT8277
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- C.B. Bavinck
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt ongegrondverklaring beroep tegen niet-ontvankelijkheid bezwaar vennootschapsbelasting 1998
Belanghebbende kreeg voor het jaar 1998 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd van ƒ 341.239. Tegen deze aanslag maakte belanghebbende bezwaar, dat door de Inspecteur niet-ontvankelijk werd verklaard. Belanghebbende ging in beroep bij het Hof, dat het beroep ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde belanghebbende cassatieberoep in bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad beoordeelde de klachten van belanghebbende en oordeelde dat deze niet tot cassatie konden leiden. De klachten waren onvoldoende om rechtsvragen te beantwoorden die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling, zoals bedoeld in artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
De Hoge Raad wees ook de proceskostenveroordeling af, omdat geen gronden aanwezig waren om belanghebbende te veroordelen in de kosten van het geding. Het arrest werd gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2005.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar blijft ongegrond.