ECLI:NL:HR:2005:AT8360
Hoge Raad
- Herziening
- C.J.G. Bleichrodt
- J.P. Balkema
- J. de Hullu
- Rechtspraak.nl
Herziening veroordeling onverzekerd rijden wegens voorlopige dekking
De aanvrager werd door de Kantonrechter veroordeeld voor het rijden zonder geldige autoverzekering op 17 juni 2002. De veroordeling betrof het ontbreken van een verzekering voor het motorrijtuig met kenteken [AA-00-BB].
Bij de herzieningsaanvraag werd een brief overgelegd van een assurantiekantoor waarin werd bevestigd dat er per 4 juni 2002 een voorlopige dekking was verleend. Een eerdere brief van hetzelfde kantoor stelde echter dat de aanvraag te laat was ingediend en dat er op 6 juli 2002 geen verzekering gold. De politie had op 6 juli 2002 een proces-verbaal opgemaakt wegens onverzekerd rijden, waarbij de aanvrager zich op de voorlopige dekking beriep.
De Hoge Raad oordeelde dat er een ernstig vermoeden bestaat dat op 17 juni 2002 de voorlopige dekking nog van kracht was, of dat de aanvrager niet was geïnformeerd over het vervallen daarvan. Dit had tot vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging geleid indien de Kantonrechter hiervan op de hoogte was geweest. Daarom werd de herzieningsaanvraag gegrond verklaard en de zaak verwezen naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage voor hernieuwde behandeling.
Uitkomst: Herzieningsverzoek gegrond verklaard en zaak verwezen naar gerechtshof voor hernieuwde behandeling.