ECLI:NL:HR:2005:AT8360

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 juni 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02503/04 H
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Herziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 457 SvArt. 467 SvWet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening veroordeling onverzekerd rijden wegens voorlopige dekking

De aanvrager werd door de Kantonrechter veroordeeld voor het rijden zonder geldige autoverzekering op 17 juni 2002. De veroordeling betrof het ontbreken van een verzekering voor het motorrijtuig met kenteken [AA-00-BB].

Bij de herzieningsaanvraag werd een brief overgelegd van een assurantiekantoor waarin werd bevestigd dat er per 4 juni 2002 een voorlopige dekking was verleend. Een eerdere brief van hetzelfde kantoor stelde echter dat de aanvraag te laat was ingediend en dat er op 6 juli 2002 geen verzekering gold. De politie had op 6 juli 2002 een proces-verbaal opgemaakt wegens onverzekerd rijden, waarbij de aanvrager zich op de voorlopige dekking beriep.

De Hoge Raad oordeelde dat er een ernstig vermoeden bestaat dat op 17 juni 2002 de voorlopige dekking nog van kracht was, of dat de aanvrager niet was geïnformeerd over het vervallen daarvan. Dit had tot vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging geleid indien de Kantonrechter hiervan op de hoogte was geweest. Daarom werd de herzieningsaanvraag gegrond verklaard en de zaak verwezen naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage voor hernieuwde behandeling.

Uitkomst: Herzieningsverzoek gegrond verklaard en zaak verwezen naar gerechtshof voor hernieuwde behandeling.

Uitspraak

21 juni 2005
Strafkamer
nr. 02503/04 H
SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Kantonrechter in de Rechtbank te 's-Gravenhage van 5 januari 2004, nummer 09/156646-03, ingediend door mr. E.J.P. Nolet, advocaat te 's-Gravenhage, namens:
[Aanvrager], geboren op [geboortedatum] 1977 te [geboorteplaats], wonende te [woonplaats].
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
De Kantonrechter heeft de aanvrager ter zake van "als bestuurder van een motorrijtuig daarmede op een weg rijden zonder dat er voor dat motorrijtuig een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen is gesloten en in stand gehouden" gepleegd op 17 juni 2002 met het motorrijtuig voorzien van het kenteken [AA-00-BB], veroordeeld tot twee weken hechtenis met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden.
2. De aanvrage tot herziening
2.1. De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2.2. De aanvrage tot herziening berust op de stelling dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv, aangezien uit de aan de aanvrage gehechte bescheiden blijkt dat op 17 juni 2002 voor het motorrijtuig met het kenteken [AA-00-BB] wel een verzekering overeenkomstig de WAM van kracht was.
3. De conclusie van de Advocaat-Generaal
De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de aanvrage gegrond verklaart, de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van het gewijsde zal bevelen en de zaak zal verwijzen naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak op de voet van art. 467 Sv Pro opnieuw zal worden berecht en afgedaan.
4. Beoordeling van de aanvrage
4.1. De hiervoor vermelde veroordeling betreft het aan de aanvrager bij inleidende dagvaarding tenlastegelegde dat:
"hij op of omstreeks 17 juni 2002 te 's-Gravenhage als bestuurder van een motorrijtuig (auto) met het kenteken [AA-00-BB], daarmede heeft gereden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Fruitweg, zonder dat er voor dit motorrijtuig een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen was gesloten en in stand gehouden."
4.2. Bij de aanvrage is onder meer overgelegd een brief van Assurantiebedrijf [A] van 2 juli 2002 inhoudende, voorzover van belang:
"Betreft: aanvraag Motorrijtuigen
(...)
Inzake bovengenoemde verzekering bevestigen wij de ontvangst van het door u aan ons gezonden aanvraagformulier.
Per 04-06-2002 verlenen wij voorlopige dekking op basis van de volgende gegevens:
Soort verzekering: Autoverz. WA
Merk: Alfa romeo
(...)
Kenteken: [AA-00-BB]
(...)
Dekking: WA
Eerstkomende vervaldatum: 04-09-2002
Contractsvervaldatum: 04-06-2003"
4.3.1. Bij de stukken van het geding, te weten de bijlagen van een gratieverzoek, bevindt zich tevens een brief van genoemd assurantiekantoor aan de aanvrager van 6 augustus 2002, inhoudende:
"U heeft op 04-06-2002 uw auto opgegeven maar pas heel laat uw aanvraag ingestuurd waardoor u op 06-07-2002 niet verzekerd was.
Trouwens u had op aanvraag verkeerde informatie verstrekt waardoor maatschappij u helemaal niet wilde verzekeren (...)"
4.3.2. Die brief is kennelijk verzonden naar aanleiding van een tegen de aanvrager opgemaakt proces-verbaal van politie met betrekking tot kort gezegd het onverzekerd rijden met eerderbedoelde auto op 6 juli 2002. Blijkens dat proces-verbaal heeft de aanvrager er zich toen op beroepen dat zijn auto in voorlopige dekking was genomen, maar dat hij nog geen polis had ontvangen.
Als opmerking van de verbalisant houdt dat proces-verbaal voorts in:
"Door Stad Rotterdam is op 02/07/2002 een bewijs van voorlopige dekking afgegeven. Deze aanvraag is echter niet geaccepteerd."
4.3.3. Op basis van genoemd proces-verbaal is een strafvervolging tegen de aanvrager ingesteld ter zake van de op 6 juli 2002 gepleegde overtreding. In de loop van die procedure heeft Stad Rotterdam Verzekeringen een verklaring van 25 maart 2004 afgegeven, welke aan de Kantonrechter is overgelegd, kort gezegd inhoudende dat voor de desbetreffende auto op 6 juli 2002 wel een verzekering gold. Die verklaring wijkt dus af van de inhoud van de in 4.3.1 bedoelde brief en bedoelde, in 4.3.2 weergegeven, passage uit het proces-verbaal van politie.
4.4. Uit het vorenoverwogene vloeit het ernstige vermoeden voort dat ten tijde van de bewezenverklaarde gedraging ofwel de voorlopige dekking zoals hiervoor onder 4.2 bedoeld nog van kracht was, dan wel dat aan de aanvrager niet was medegedeeld dat deze dekking inmiddels was vervallen en dat de Kantonrechter, ware hij met een en ander bekend geweest, de aanvrager zou hebben vrijgesproken van het hem tenlastegelegde, dan wel hem zou hebben ontslagen van alle rechtsvervolging. Aan het voorgaande doet niet af de verklaring van de RDW van 21 maart 2005 inhoudende dat het motorrijtuig [AA-00-BB] op 17 juni 2002 niet in het CRWAM was geregistreerd, noch de brief van Stad Rotterdam Verzekeringen van 14 maart 2005, waarin sprake is van aanmelding van het betrokken motorrijtuig bij de RDW op 02-07-2002, reeds omdat uit die stukken niet zonder meer volgt dat de hiervoor onder 4.2 bedoelde voorlopige dekking op 17 juni 2002 niet meer van kracht was.
5. Slotsom
Uit het vorenoverwogene volgt dat zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv, zodat de aanvrage gegrond is en als volgt moet worden beslist.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
Verklaart de aanvrage tot herziening gegrond;
Beveelt voorzover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van voormeld vonnis van de Kantonrechter in de Rechtbank te 's-Gravenhage van 5 januari 2004;
Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak op de voet van art. 467 Sv Pro opnieuw zal worden behandeld en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 21 juni 2005.