ECLI:NL:HR:2005:AU0875
Hoge Raad
- Cassatie
- L. Monné
- P.J. van Amersfoort
- C.A. Streefkerk
- Rechtspraak.nl
Werkkledingbegrip in loonbelasting bij verstrekte kleding met logo's
Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag loonbelasting opgelegd voor het tijdvak 1 januari tot en met 30 juni 2002. De Inspecteur handhaafde deze aanslag na bezwaar. Het Hof verklaarde het beroep ongegrond, waarbij de kernvraag was of de verstrekte kleding werkkleding was in de zin van artikel 15a van de Wet op de loonbelasting 1964.
Het Hof oordeelde dat de kleding ook buiten de dienstbetrekking gedragen kon worden, omdat deze slechts door het aangebrachte logo of opschrift verschilde van reguliere kleding. Het logo was onvoldoende om de kleding als uniform te kwalificeren. Tevens voldeed de kleding niet aan de eis dat zichtbare beeldmerken samen ten minste 70 cm² moesten beslaan, mede omdat het dragen van meerdere kledingstukken het onmogelijk maakte dat deze oppervlakte zichtbaar was.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat het enkele feit dat kleding voorzien is van een logo of opschrift niet automatisch betekent dat het werkkleding is. Ook werd bevestigd dat de oppervlakte-eis per kledingstuk moet worden beoordeeld. De Hoge Raad vond geen reden om het oordeel van het Hof te vernietigen en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard; de verstrekte kleding is geen werkkleding in de zin van de loonbelasting.