ECLI:NL:HR:2005:AU1719

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 augustus 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01377/05 H
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Herziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 457 SvArt. 468 SvArt. 118 Sv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herzieningsverzoek wegens ontbreken nieuwe omstandigheden bij opzetheling

De aanvrager werd door de Politierechter veroordeeld voor het plegen van opzetheling met betrekking tot meerdere beamers en een laptop. Na de veroordeling vroeg hij herziening aan op grond van nieuwe omstandigheden, namelijk dat het Arrondissementsparket Almelo hem als rechthebbende had aangemerkt van drie beamers en dat deze aan hem waren teruggegeven.

De Hoge Raad beoordeelde of deze nieuwe feiten, die niet tijdens de oorspronkelijke terechtzitting aan de orde waren gekomen, een ernstig vermoeden konden wekken dat het onderzoek tot vrijspraak, ontslag van rechtsvervolging, niet-ontvankelijkheid of toepassing van een minder zware strafbepaling zou hebben geleid. De Hoge Raad concludeerde dat de aangevoerde brief van de Dienst Domeinen onvoldoende bewijs leverde om het standpunt van de aanvrager te ondersteunen.

Verder overwoog de Hoge Raad dat de aanvrage niet aannemelijk maakte dat het parket op feiten berustte die niet bekend waren bij de Politierechter. Ook werd verduidelijkt dat de toepassing van een minder zware strafbepaling moet worden gezien als een strafrechtelijke kwalificatie met een lichtere straf, en niet als een lagere strafoplegging binnen dezelfde strafbepaling.

Daarom werd het herzieningsverzoek ongegrond verklaard en afgewezen conform artikel 468 Sv Pro. De veroordeling van de Politierechter bleef daarmee in stand.

Uitkomst: De Hoge Raad wijst het verzoek tot herziening af en bevestigt de veroordeling voor opzetheling.

Uitspraak

23 augustus 2005
Strafkamer
nr. 01377/05 H
SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Almelo van 29 april 2003, ingediend door mr. Y. Polko, advocaat te 's-Gravenhage, namens:
[Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973, wonende te [woonplaats].
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
De Politierechter heeft de aanvrager ter zake van "van het plegen van opzetheling een gewoonte maken" veroordeeld tot een werkstraf van veertig uren, subsidiair twintig dagen hechtenis.
2. De aanvrage tot herziening
2.1. De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2.2. De aanvrage berust op de stelling dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv. De aanvrager voert daartoe aan dat het Arrondissementsparket te Almelo hem op 5 januari 2004 als rechthebbende heeft aangemerkt van drie van de in de bewezenverklaring genoemde beamers en de Dienst Domeinen opdracht heeft gegeven deze aan de aanvrager terug te geven.
Ter staving van de aanvrage is daarbij gevoegd een kopie van een aan de aanvrager gerichte brief van de Dienst Domeinen Roerende Zaken, regio-eenheid Hoogeveen, van 7 januari 2004 inhoudende, voorzover voor de beoordeling van de aanvrage van belang:
"Onderwerp: Afhaalbericht van terug te geven inbeslaggenomen goederen
(...)
Gezien de mededeling van de ARRONDISSEMENTSPARKET ALMELO te ALMELO (d.d. 05.01.2004) kunnen de hierna omschreven inbeslaggenomen goederen aan u worden teruggegeven.
(...)
Omschrijving van de goederen:
1 ST DATAVIDEO PROJECTOR
Merk: -
Type:-
(...)
1 ST DATAVIDEO PROJECTOR
Merk: -
Type:-
(...)
1 ST DATAVIDEO PROJECTOR
Merk: -
Type:-
(...)".
3. Beoordeling van de aanvrage
3.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voorzover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv Pro slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.
3.2. Ten laste van de aanvrager is bewezenverklaard dat:
"hij in de periode van 10 januari 2001 tot en met 26 januari 2001, in de gemeente 's-Gravenhage een gewoonte heeft gemaakt van het plegen van opzetheling, immers heeft verdachte na te melden goederen verworven en voorhanden gehad, terwijl hij ten tijde van het verwerven en het voorhanden hebben van die goederen telkens wist dat het door misdrijf verkregen goederen betrof, en wel:
- een beamer, merk NEC, type MT840, en/of
- een beamer, merk 3M, type MP8730, en/of
- een beamer, merk Hitachi, type CPX960, en/of
- een beamer, merk Philips, type Pro screen 4600, en/of
- een beamer, merk Sanyo, type SU20E, en/of
- een beamer, merk ASK, type Impression A6+, en/of
- een beamer, merk ASK, type C1 compact, en/of
- een beamer, merk ASK, type Impression A6, en/of
- een laptop, merk Topline."
3.3. De aanvrage heeft betrekking op de drie beamers van het merk ASK, waarvan de Politierechter - naar de Hoge Raad begrijpt - de bewaring ten behoeve van de rechthebbende heeft gelast.
3.4. Het in de aanvrage aangevoerde kan niet het ernstige vermoeden wekken als hiervoor onder 3.1 bedoeld. Nog daargelaten dat niet aannemelijk is gemaakt dat het Arrondissementsparket te Almelo op grond van feiten en/of omstandigheden van feitelijke aard welke niet bekend waren dan wel niet geacht kunnen worden bekend te zijn geweest aan de Politierechter ten tijde van de uitspraak tot het oordeel is gekomen dat de aanvrager als rechthebbende moet worden aangemerkt van de in de aanvrage genoemde beamers van het merk ASK - de bij de aanvrage gevoegde brief is daartoe niet voldoende, nu die brief niet inhoudt hetgeen in de aanvrage wordt gesteld, doch veeleer een aanwijzing ervoor vormt dat toepassing is gegeven aan art. 118, derde lid, Sv en dat de Officier van Justitie geen bezwaar heeft gemaakt als bedoeld in art. 118, vijfde lid, Sv - kan de aanvrage reeds niet tot herziening leiden omdat het in de aanvrage niet bestreden deel van de bewezenverklaring de door de Politierechter aan de bewezenverklaring gegeven kwalificatie zelfstandig kan dragen.
3.5. Opmerking verdient nog dat art. 457, eerste lid onder 2°, Sv met "de toepassing van een minder zware strafbepaling" doelt op een wettelijke strafbaarstelling die - in verhouding tot de toegepaste - een minder zware straf bedreigt en niet op een veroordeling tot een minder zware straf.
3.6. Uit het voorgaande volgt dat het in de aanvrage aangevoerde niet kan worden aangemerkt als een omstandigheid als hiervoor onder 3.1 bedoeld. De aanvrage is dus ongegrond en moet ingevolge art. 468 Sv Pro worden afgewezen.
4. Beslissing
De Hoge Raad wijst de aanvrage tot herziening af.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier M.T.E. van Huut, en uitgesproken op 23 augustus 2005.